Week 4
Zelfstudievragen
1. Bij rechtvaardigingsgronden valt het element wederrechtelijkheid weg, bij
schulduitsluitingsgronden valt het element verwijtbaarheid weg. Dit zal bij beiden
leiden tot ontslag van alle rechtsvervolgen, indien het beroep terecht is.
2. Afwezigheid van alle schuld en afwezigheid van materiele wederrechtelijkheid
3. Error facti en error iuris; dwaling ten aanzien van de feiten en rechtsdwaling.
4. Algemene rechtvaardigingsgronden gelden voor alle strafbare feiten (art. 40
overmacht). Bijzondere rechtvaardigingsgronden zijn opgenomen in een bepaling en
gelden alleen voor het feit genoemd in die bepaling (art. 261 lid 3).
5. A. A kan een beroep doen op overmacht in de zin van noodtoestand. Dit staat in art.
40; niet strafbaar is hij die een feit begaat waartoe hij door overmacht is gedrongen.
Er was sprake van overmacht, omdat er sprake was van een noodtoestand, doordat
als A niet gehandeld had, het kind hoogstwaarschijnlijk was overleden.
B. Als er boodschappen in de kinderwagen hadden gelegen, was er geen sprake van
een noodtoestand, waardoor het beroep op overmacht waarschijnlijk niet zal slagen.
6. Was de verdachte ten tijde van het ten laste gelegd lijdende aan een psychische
stoornis of een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens? Is de psychische
stoornis van invloed geweest op het ten laste gelegde feit? Moet, in aanmerking
genomen de antwoorden op de eerste twee vragen, het feit aan de verdachte niet of
verminderd toegerekend worden? Bij de eerste twee vragen kan de rechter gebruik
maken van deskundigen.
7. .
8. Verdachte heeft zichzelf in de psychose gebracht door een verdovend middel te
gebruiken. Hij gebruikte dit al jaren, zonder proberen er mee te stoppen.
Werkgroepopdrachten
Opdracht 1: casus De vakantiebungalow
1. Volledig toerekenbaar, enigszins verminderd toerekenbaar, verminderd
toerekenbaar, sterk verminderd toerekenbaar en volledig ontoerekenbaar. Bij
volledige toerekenbarheid is geen sprake van een stoornis of geen sprake van een
relevante relatie tussen de geconstateerde stoornis en het strafbare feit. Bij enigszins
verminderd toerekenbaarheid is sprake van een zeer lichte stoornis of een geringe
doorwerking van de stoornis in het feit. Bij verminderd toerekenbaar gaat het om
ernstigere psychische stoornissen, meestal persoonlijkheidsstoornissen die een
aanzienlijke invloed hebben uitgeoefend op het delictueus handelen van verdachte.
Sterk verminderd toerekenbaar zijn meestal gevallen van meervoudige stoornissen
die in zeer sterke mate hebben doorgewerkt in het strafbare feit. Bij algehele
ontoerekenbaarheid is in de meeste gevallen sprake van psychotische stoornissen die
het handelen van de verdachte volledig hebben bepaald en dus geen ruimte hebben
gelaten voor enige wilsvrijheid bij verdachte. Iemand die volledig ontoerekenbaar is,
kan een beroep doen op een schulduitsluitingsgrond, waardoor het zal leiden tot
OVAR. Er kan dan wel een maatregel worden opgelegd, zoals tbs. Er kan ook geen
Zelfstudievragen
1. Bij rechtvaardigingsgronden valt het element wederrechtelijkheid weg, bij
schulduitsluitingsgronden valt het element verwijtbaarheid weg. Dit zal bij beiden
leiden tot ontslag van alle rechtsvervolgen, indien het beroep terecht is.
2. Afwezigheid van alle schuld en afwezigheid van materiele wederrechtelijkheid
3. Error facti en error iuris; dwaling ten aanzien van de feiten en rechtsdwaling.
4. Algemene rechtvaardigingsgronden gelden voor alle strafbare feiten (art. 40
overmacht). Bijzondere rechtvaardigingsgronden zijn opgenomen in een bepaling en
gelden alleen voor het feit genoemd in die bepaling (art. 261 lid 3).
5. A. A kan een beroep doen op overmacht in de zin van noodtoestand. Dit staat in art.
40; niet strafbaar is hij die een feit begaat waartoe hij door overmacht is gedrongen.
Er was sprake van overmacht, omdat er sprake was van een noodtoestand, doordat
als A niet gehandeld had, het kind hoogstwaarschijnlijk was overleden.
B. Als er boodschappen in de kinderwagen hadden gelegen, was er geen sprake van
een noodtoestand, waardoor het beroep op overmacht waarschijnlijk niet zal slagen.
6. Was de verdachte ten tijde van het ten laste gelegd lijdende aan een psychische
stoornis of een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens? Is de psychische
stoornis van invloed geweest op het ten laste gelegde feit? Moet, in aanmerking
genomen de antwoorden op de eerste twee vragen, het feit aan de verdachte niet of
verminderd toegerekend worden? Bij de eerste twee vragen kan de rechter gebruik
maken van deskundigen.
7. .
8. Verdachte heeft zichzelf in de psychose gebracht door een verdovend middel te
gebruiken. Hij gebruikte dit al jaren, zonder proberen er mee te stoppen.
Werkgroepopdrachten
Opdracht 1: casus De vakantiebungalow
1. Volledig toerekenbaar, enigszins verminderd toerekenbaar, verminderd
toerekenbaar, sterk verminderd toerekenbaar en volledig ontoerekenbaar. Bij
volledige toerekenbarheid is geen sprake van een stoornis of geen sprake van een
relevante relatie tussen de geconstateerde stoornis en het strafbare feit. Bij enigszins
verminderd toerekenbaarheid is sprake van een zeer lichte stoornis of een geringe
doorwerking van de stoornis in het feit. Bij verminderd toerekenbaar gaat het om
ernstigere psychische stoornissen, meestal persoonlijkheidsstoornissen die een
aanzienlijke invloed hebben uitgeoefend op het delictueus handelen van verdachte.
Sterk verminderd toerekenbaar zijn meestal gevallen van meervoudige stoornissen
die in zeer sterke mate hebben doorgewerkt in het strafbare feit. Bij algehele
ontoerekenbaarheid is in de meeste gevallen sprake van psychotische stoornissen die
het handelen van de verdachte volledig hebben bepaald en dus geen ruimte hebben
gelaten voor enige wilsvrijheid bij verdachte. Iemand die volledig ontoerekenbaar is,
kan een beroep doen op een schulduitsluitingsgrond, waardoor het zal leiden tot
OVAR. Er kan dan wel een maatregel worden opgelegd, zoals tbs. Er kan ook geen