Thema 5. Legaliteitsbeginsel II
Inleiding op het thema:
Het legaliteitsbeginsel vergt dat aan elk overheidshandelen een (grond-)wettelijke bepaling
ten grondslag ligt. De wet dient antwoord te geven op de vraag welke instantie bevoegd is,
wat de bevoegdheid precies inhoudt (zie over de onderwerpen het vorige thema), alsook op
de vraag op welke manier de bevoegdheid is of kan worden verkregen. Bovendien geeft de
wet aan binnen welke grenzen een bevoegdheid dient te worden uitgeoefend.
In beginsel zijn er twee manieren waarop overheidsinstanties (publiekrechtelijke)
bevoegdheden kunnen verkrijgen, namelijk via attributie en delegatie. Het onderscheid zal
deze week nader duidelijk gemaakt worden aan de hand van een aantal concrete
voorbeelden. Bovendien gaan we deze week nader in op de reikwijdte van het
legaliteitsbeginsel. In dit verband is de opgenomen jurisprudentie (Jamin en Fluoridering) van
belang.
Ten slotte komt de normering van de uitoefening van deze bevoegdheden aan bod. Deze
normering vindt plaats door de wet waarin de bevoegdheden worden toegekend, alsook door
de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb). Deze zijn in het verleden ontwikkeld
in de rechtspraak en inmiddels ten dele gecodificeerd in de Awb. Een onderscheid kan
worden gemaakt tussen formele en materiële beginselen van behoorlijk bestuurd. Daarnaast
kan het bestuur vrije bevoegdheden normeren met beleidsregels.
De rechter kan uiteindelijk controleren of het overheidshandelen conform de normering heeft
plaatsgevonden. In zeer uitzonderlijke gevallen kan deze toetsing ertoe leiden dat toepassing
van de wet moet wijken voor een (ongeschreven) beginsel, de zogenaamde contra legem
jurisprudentie.
NB. Ook grondrechten normeren het overheidshandelen. Deze worden volgende week
behandeld in thema 6.
Literatuur:
- BKVW paragrafen 4.4 en 4.5
- BKVW paragraaf 7.3.1
- F.J. van Ommeren, ‘Het legaliteitsbeginsel als hoeksteen van het staats- en
bestuursrecht’, Ars Aequi 2010, pp. 645 e.v.
Jurisprudentie:
- HR 13 januari 1879 (Meerenberg) (Ars Aequi Jurisprudentie)
- HR 25 januari 1926 (Jamin) (Ars Aequi Jurisprudentie)
- HR 22 juni 1973 (Fluoridering) (Ars Aequi Jurisprudentie)
- ABRvS 12 november 2014 (Zwarte Piet) (Ars Aequi Jurisprudentie)
Leerdoelen:
Na bestudering van de opgegeven literatuur en het bijwonen van de onderwijsbijeenkomsten
kunt u in ieder geval:
1. het legaliteitsbeginsel definiëren en aan de hand van casusposities en jurisprudentie
uitleggen welke consequenties dit beginsel heeft alsmede de reikwijdte ervan
uitleggen;
2. de verschillende manieren waarop overheidsbevoegdheden worden verkregen
benoemen en herkennen; daarnaast demonstreren op welke wijze het
legaliteitsbeginsel van invloed is op het overdragen van overheidsbevoegdheden;
3. de (grond)wettelijke delegatieterminologie op een eenvoudige casus toepassen;
4. verschillende vormen van normering van overheidshandelen onderscheiden
Inleiding op het thema:
Het legaliteitsbeginsel vergt dat aan elk overheidshandelen een (grond-)wettelijke bepaling
ten grondslag ligt. De wet dient antwoord te geven op de vraag welke instantie bevoegd is,
wat de bevoegdheid precies inhoudt (zie over de onderwerpen het vorige thema), alsook op
de vraag op welke manier de bevoegdheid is of kan worden verkregen. Bovendien geeft de
wet aan binnen welke grenzen een bevoegdheid dient te worden uitgeoefend.
In beginsel zijn er twee manieren waarop overheidsinstanties (publiekrechtelijke)
bevoegdheden kunnen verkrijgen, namelijk via attributie en delegatie. Het onderscheid zal
deze week nader duidelijk gemaakt worden aan de hand van een aantal concrete
voorbeelden. Bovendien gaan we deze week nader in op de reikwijdte van het
legaliteitsbeginsel. In dit verband is de opgenomen jurisprudentie (Jamin en Fluoridering) van
belang.
Ten slotte komt de normering van de uitoefening van deze bevoegdheden aan bod. Deze
normering vindt plaats door de wet waarin de bevoegdheden worden toegekend, alsook door
de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb). Deze zijn in het verleden ontwikkeld
in de rechtspraak en inmiddels ten dele gecodificeerd in de Awb. Een onderscheid kan
worden gemaakt tussen formele en materiële beginselen van behoorlijk bestuurd. Daarnaast
kan het bestuur vrije bevoegdheden normeren met beleidsregels.
De rechter kan uiteindelijk controleren of het overheidshandelen conform de normering heeft
plaatsgevonden. In zeer uitzonderlijke gevallen kan deze toetsing ertoe leiden dat toepassing
van de wet moet wijken voor een (ongeschreven) beginsel, de zogenaamde contra legem
jurisprudentie.
NB. Ook grondrechten normeren het overheidshandelen. Deze worden volgende week
behandeld in thema 6.
Literatuur:
- BKVW paragrafen 4.4 en 4.5
- BKVW paragraaf 7.3.1
- F.J. van Ommeren, ‘Het legaliteitsbeginsel als hoeksteen van het staats- en
bestuursrecht’, Ars Aequi 2010, pp. 645 e.v.
Jurisprudentie:
- HR 13 januari 1879 (Meerenberg) (Ars Aequi Jurisprudentie)
- HR 25 januari 1926 (Jamin) (Ars Aequi Jurisprudentie)
- HR 22 juni 1973 (Fluoridering) (Ars Aequi Jurisprudentie)
- ABRvS 12 november 2014 (Zwarte Piet) (Ars Aequi Jurisprudentie)
Leerdoelen:
Na bestudering van de opgegeven literatuur en het bijwonen van de onderwijsbijeenkomsten
kunt u in ieder geval:
1. het legaliteitsbeginsel definiëren en aan de hand van casusposities en jurisprudentie
uitleggen welke consequenties dit beginsel heeft alsmede de reikwijdte ervan
uitleggen;
2. de verschillende manieren waarop overheidsbevoegdheden worden verkregen
benoemen en herkennen; daarnaast demonstreren op welke wijze het
legaliteitsbeginsel van invloed is op het overdragen van overheidsbevoegdheden;
3. de (grond)wettelijke delegatieterminologie op een eenvoudige casus toepassen;
4. verschillende vormen van normering van overheidshandelen onderscheiden