Samenvatting: Bruning, Liefaard & Vlaardingerbroek (2016) – Jeugdrecht en
Jeugdhulp. H1, 2, 6, 9, 11, 12
HF 1 – Introductie in het jeugdrecht en jeugdhulprecht
Eerste recht voor jeugdbescherming ontstond met het kinderwetje van Van Houten. Er
ontstonden organisaties voor jeugdige gevangenen. De beweging m.b.t. opvoedkampen en
inrichtingen leidde tot de kinderwetten in 1901. Ze traden in werken op 1 december 1905 en
zijn de basis van het jeugdbeschermingswet en jeugdstrafrecht. Hierin was opgenomen:
- De voogdijraad een ouder het gezag kon ontnemen ter bescherming van het kind.
- Jeugdige verdachten (tot 18 jaar) een afzonderlijk strafprocesrecht kregen.
- Een specifiek pakket van maatregelen gericht op de heropvoeding van jeugdige
delinquenten.
- Wet met voorschriften omtrent kinderbeschermingsmaatregelen (Derde Kinderwet).
Het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) is het meest geratificeerde
internationale mensenrechtenverdrag ter wereld. Het bundelt alle rechten van het kind. De
visie van het IVRK is dat kinderen mensen zijn op weg naar volwassenheid. Het bevat
voorschriften voor het jeugdrecht wat van invloed is bij de vorming hiervan in Nederland. Op
de naleving hiervan wordt toegezien door het Comité voor de Rechten van het Kind. Zij
geven ook commentaar op de artikelen zodat zij leidend zijn in de interpretatie hiervan.
Bij een vermoeden van een inbreuk op de rechten van het kind kan een minderjarige
vreemdeling zich wenden tot de Kinderombudsman. Dit kan gaan over verblijf, toekomst,
leefomstandigheden, onderwijs. De Kinderombudsman kan alleen uitspraken doen over hoe
het IND zijn taak uitvoert, er is geen bevoegdheid tot beslissingen. Minderjarige
vreemdelingen vallen tijdens hun verblijf onder het jeugdrecht en het jeugdstrafrecht. Bij het
ontbreken van een gezagspersoon kunnen zij onder voogdij gebracht worden bij Nidos.
Minderjarige vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland zijn kunnen geen aanspraak
maken op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen maar wel op onderwijs en medisch
zorg. Het Kinderpardon is voor kinderen die op hun 18e langer dan 5 jaar wonen in
Nederland en mogelijk wel in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning als zij aan de
voorwaarden voldoen. Je komt hier niet voor in aanmerking als je geen asielaanvraag hebt
ingediend, in het buitenland verbleef, 21 jaar of ouder bent, als je niet onder toezicht van het
rijk hebt gestaan of als je ouders verdacht worden van oorlogsmisdaden.
HF 2 – De minderjarige
‘Minderjarige zijn zij die de ouderdom van achttien jaar nog niet hebben bereikt en evenmin
met toepassing van artikel 1:253ha BW meerderjarig zijn verklaard’. De rechtspositie van de
minderjarige wordt bepaald door:
1. Iedere minderjarige staat onder het gezag van een ander.
2. Iedere minderjarige is in beginsel slechts bekwaam zelfstandig rechtshandelingen te
verrichten indien hij daartoe de toestemming heeft van degene met gezag.
Dit kom naar voren in de aangifte bij geboorte. Deze is belangrijk voor de rechtspositie van
het kind omdat op de akte de leeftijd wordt vermeldt (bijv. of het kind strafrechtelijk of
privaatrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld). De aangifte moet gebeuren door iemand
uit wie het kind niet is geboren, binnen drie dagen. De moeder is niet verplicht maar wel
Jeugdhulp. H1, 2, 6, 9, 11, 12
HF 1 – Introductie in het jeugdrecht en jeugdhulprecht
Eerste recht voor jeugdbescherming ontstond met het kinderwetje van Van Houten. Er
ontstonden organisaties voor jeugdige gevangenen. De beweging m.b.t. opvoedkampen en
inrichtingen leidde tot de kinderwetten in 1901. Ze traden in werken op 1 december 1905 en
zijn de basis van het jeugdbeschermingswet en jeugdstrafrecht. Hierin was opgenomen:
- De voogdijraad een ouder het gezag kon ontnemen ter bescherming van het kind.
- Jeugdige verdachten (tot 18 jaar) een afzonderlijk strafprocesrecht kregen.
- Een specifiek pakket van maatregelen gericht op de heropvoeding van jeugdige
delinquenten.
- Wet met voorschriften omtrent kinderbeschermingsmaatregelen (Derde Kinderwet).
Het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) is het meest geratificeerde
internationale mensenrechtenverdrag ter wereld. Het bundelt alle rechten van het kind. De
visie van het IVRK is dat kinderen mensen zijn op weg naar volwassenheid. Het bevat
voorschriften voor het jeugdrecht wat van invloed is bij de vorming hiervan in Nederland. Op
de naleving hiervan wordt toegezien door het Comité voor de Rechten van het Kind. Zij
geven ook commentaar op de artikelen zodat zij leidend zijn in de interpretatie hiervan.
Bij een vermoeden van een inbreuk op de rechten van het kind kan een minderjarige
vreemdeling zich wenden tot de Kinderombudsman. Dit kan gaan over verblijf, toekomst,
leefomstandigheden, onderwijs. De Kinderombudsman kan alleen uitspraken doen over hoe
het IND zijn taak uitvoert, er is geen bevoegdheid tot beslissingen. Minderjarige
vreemdelingen vallen tijdens hun verblijf onder het jeugdrecht en het jeugdstrafrecht. Bij het
ontbreken van een gezagspersoon kunnen zij onder voogdij gebracht worden bij Nidos.
Minderjarige vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland zijn kunnen geen aanspraak
maken op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen maar wel op onderwijs en medisch
zorg. Het Kinderpardon is voor kinderen die op hun 18e langer dan 5 jaar wonen in
Nederland en mogelijk wel in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning als zij aan de
voorwaarden voldoen. Je komt hier niet voor in aanmerking als je geen asielaanvraag hebt
ingediend, in het buitenland verbleef, 21 jaar of ouder bent, als je niet onder toezicht van het
rijk hebt gestaan of als je ouders verdacht worden van oorlogsmisdaden.
HF 2 – De minderjarige
‘Minderjarige zijn zij die de ouderdom van achttien jaar nog niet hebben bereikt en evenmin
met toepassing van artikel 1:253ha BW meerderjarig zijn verklaard’. De rechtspositie van de
minderjarige wordt bepaald door:
1. Iedere minderjarige staat onder het gezag van een ander.
2. Iedere minderjarige is in beginsel slechts bekwaam zelfstandig rechtshandelingen te
verrichten indien hij daartoe de toestemming heeft van degene met gezag.
Dit kom naar voren in de aangifte bij geboorte. Deze is belangrijk voor de rechtspositie van
het kind omdat op de akte de leeftijd wordt vermeldt (bijv. of het kind strafrechtelijk of
privaatrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld). De aangifte moet gebeuren door iemand
uit wie het kind niet is geboren, binnen drie dagen. De moeder is niet verplicht maar wel