Indo-Europees
Indo-Europees Germaans Oudnederlands Oudnederlands (600-1150 n. Chr.)
Germaans
- Naamvallen voor functie, p f v - Uitgangen verzwakten.
geslacht en getal. t th d - Zwakke werkwoorden: horen deed ik - hoorde ik.
- Alleen sterke werkwoorden. k ch h - Oorzakelijke werkwoorden: liggen - leggen.
- Woordvolgorde: ow - lv - ww. b p - h na klemtoon h verdwijnt: sehen, zien. - Werkwoordstam als zelfst. nw.: raden - raad.
- Geen of nauwelijks bijzinnen. d t - Zelfst. nw. als achtervoegsel: -dom.
- Uitsluitend gesproken. g k - Beperking van de umlaut: hand - behendig. - Zelfst. nw. afgeleid van bijv. nw. / ww met -nis: duisternis.
bh b - ft cht: stiften, stichten. - Abstracte woorden afgeleid van bijv. nw.: liefde.
dh d - chs ss: Füchse, vossen. - Germaanse voorvoegsels: oor-, mis-, wan-.
gh g - ol+d/t ou+d/t: alt, oud; gold, goud. - Bijv. nw. door achtervoegsel -s: groots, mals.
- Verlenging korte vocalen: spel - spelen. - Bijv. nw. door zn als achtervoegsel: -lijk, -baar, -zaam, ...
- Tweeklanken monoftongen: bein, been. - Onscheidbaar samengesteld ww: aanbidden.
- Stomme e (geen klemtoon): hebban -hebben. - Verzwakte klinkers door onbeklemtoond voorvoegsel:
beginnen, ontbijten.
Indo-Europees Lage Landen Ingeweoons (kustverschijnselen)
Wisselende klemtoon Klemtoon op de eerste lettergreep. - Meervoud op -s (Oudndl: nestas, Eng: nests, Ndl: nesten),
- Naamvallen sleten af: woordvolgorde belangrijk, ontstaan - Persoonlijke voornaamwoorden met een h (Eng: he, Ndl: hij, Dui: er),
functiewoorden. - Verlies nasaal, rekking vocaal (Eng: five, Ndl: vijf, Dui: fünf),
- Ontbreken -t in derde persoon enkelvoud (Eng: is, Ndl: is, Dui: ist),
Latijn Nederlands - Lexicale verschillen (Eng: island, Ndl: eiland, Dui: insel),
- Leenbetekenissen: vroom = nuttig = godvruchtig. - Verdwijnen verschil tussen datief en accusatief (Eng: me, Ndl: mij, Dui: mir/mich).
- Leenvertalingen: vagevuur = reinigend vuur.
- Leenwoorden: apostel, bisschop, altaar, kruis, orgel. Woordenschat: het Fries en Engels zijn meer verwant dan het Nederlands en Engels
(kaai - key - sleutel, swiet - sweet - zoet, door - door - deur).
Indo-Europees Germaans Oudnederlands Oudnederlands (600-1150 n. Chr.)
Germaans
- Naamvallen voor functie, p f v - Uitgangen verzwakten.
geslacht en getal. t th d - Zwakke werkwoorden: horen deed ik - hoorde ik.
- Alleen sterke werkwoorden. k ch h - Oorzakelijke werkwoorden: liggen - leggen.
- Woordvolgorde: ow - lv - ww. b p - h na klemtoon h verdwijnt: sehen, zien. - Werkwoordstam als zelfst. nw.: raden - raad.
- Geen of nauwelijks bijzinnen. d t - Zelfst. nw. als achtervoegsel: -dom.
- Uitsluitend gesproken. g k - Beperking van de umlaut: hand - behendig. - Zelfst. nw. afgeleid van bijv. nw. / ww met -nis: duisternis.
bh b - ft cht: stiften, stichten. - Abstracte woorden afgeleid van bijv. nw.: liefde.
dh d - chs ss: Füchse, vossen. - Germaanse voorvoegsels: oor-, mis-, wan-.
gh g - ol+d/t ou+d/t: alt, oud; gold, goud. - Bijv. nw. door achtervoegsel -s: groots, mals.
- Verlenging korte vocalen: spel - spelen. - Bijv. nw. door zn als achtervoegsel: -lijk, -baar, -zaam, ...
- Tweeklanken monoftongen: bein, been. - Onscheidbaar samengesteld ww: aanbidden.
- Stomme e (geen klemtoon): hebban -hebben. - Verzwakte klinkers door onbeklemtoond voorvoegsel:
beginnen, ontbijten.
Indo-Europees Lage Landen Ingeweoons (kustverschijnselen)
Wisselende klemtoon Klemtoon op de eerste lettergreep. - Meervoud op -s (Oudndl: nestas, Eng: nests, Ndl: nesten),
- Naamvallen sleten af: woordvolgorde belangrijk, ontstaan - Persoonlijke voornaamwoorden met een h (Eng: he, Ndl: hij, Dui: er),
functiewoorden. - Verlies nasaal, rekking vocaal (Eng: five, Ndl: vijf, Dui: fünf),
- Ontbreken -t in derde persoon enkelvoud (Eng: is, Ndl: is, Dui: ist),
Latijn Nederlands - Lexicale verschillen (Eng: island, Ndl: eiland, Dui: insel),
- Leenbetekenissen: vroom = nuttig = godvruchtig. - Verdwijnen verschil tussen datief en accusatief (Eng: me, Ndl: mij, Dui: mir/mich).
- Leenvertalingen: vagevuur = reinigend vuur.
- Leenwoorden: apostel, bisschop, altaar, kruis, orgel. Woordenschat: het Fries en Engels zijn meer verwant dan het Nederlands en Engels
(kaai - key - sleutel, swiet - sweet - zoet, door - door - deur).