Paragraaf 3.7.1 Structuur van kleimineralen
Kleimineralen komen vooral in de kleifractie voor, maar kunnen groter zijn
dan 2 µm. Ze behoren tot de fyllosilicaten of bladsplijters. Dat betekent dat
ze makkelijk af bladderen. Ze ontstaan bij de verwering van primaire
silicaten, met name veldspaten. Ze bestaan uit afwisselde lagen van
octaëders (O) en tetraëders (T).
Door isomorfe substitutie ontstaat een negatief ladingsoverschot. Dit wordt
opgeheven door kationen die zich tussen de TOT-platen bevinden.
Kaoliniet is opgebouwd uit TO-platen. Het kent relatief grote deeltjes en
geen isomorfe substitutie en absorbeert daardoor weinig kationen.
Illiet en smectiet zijn opgebouwd uit TOT-platen. Ze kennen vel isomorfe
substitutie en kationen adsorbtie. Smectiet heeft een geringe
deeltjesgrootte, daardor zijn de kationen goed uitwisselbaar en vind sterke
zwel en krimp plaats. Bij illiet zijn K+ vastgeklemd in de holten uitgespaard in
de zesringen van de T-laag. De deeltjes zijn groter dan bij smectiet en er is
minder krimp en zwel.
In Nederland is Illiet het meest voorkomende kleimateriaal. Kaoliniet komt in nate tropische gebieden
voor en smectiet in gematigde klimaten.
Paragraaf 10 Verzouting en alkanisatie
In (semi)aride klimaten van steppen en woestijnen (neerslag < 400 mm/jaar) kan een groot deel van de
zouten die met regen, grond- of irrigatiewater worden aangevoerd in de bodem achterblijven als er niet
voldoende afvoer is maar verdamping optreedt. Dit leidt tot ophoping van kalk en uiteindelijk zelfs tot
ophoping van makkelijk oplosbare zouten zoals chloriden, sulfaten of carbonaten. Dit laatste heet
alkanisatie en leidt tot een verhoging van de pH. Ophoping van Na+ (treedt altijd op bij alkanisatie en
vaak bij verzouting) heet sodificatie. Het is zeer schadelijk voor de planten en geeft ook fysische
problemen doordat natrium meer dan 15% van de adsorptiecapaciteit in beslag neemt. Verzouting kan
je tegengaan door spoelen, of door gips aan water met een hoge SAR toe te voegen.
Paragraaf 11 Naamgeving en classificatie
Men duidt een bodemhorizont aan aan de hand van het bodemvormende proces dat voor de horizont
verantwoordlijk wordt geacht. We gebruiken de ABC aanduiding.
H: Veenlaag. Niet in Nederland
O: Strooisellaag (+ ... cm tot 0)
A: Humushoudende minerale bovengrond (zand, klei)
Veraarde bovengrond veen (= verteerd, geen herkenbare plantenresten)
o Ah: niet geploegd
o Ap: geploegd (scherpe ondergrens)
E: Uitspoelingshorizont (bij brik- en humuspodzolgronden)