Hoofdstuk 7
Paragraaf 1
Iedereen doorloopt verschillende fasen in de levensloop. Eerst jong, dan werkend en ten slotte
ouderdom. Iedere fase kent zijn eigen keuzes, maar de fasen staan niet los van elkaar. Jongeren zijn
bijvoorbeeld afhankelijk van hun ouders en ouderen afhankelijk van de werkenden.
Paragraaf 2
Door ongezonde voeding en slechte werkomstandigheden in fabrieken was de levensverwachting
laag. Het gewone volk kon ziekenzorg niet betalen en waren aangewezen op mantelzorg. Ook was de
bestaanszekerheid van het werken in fabrieken niet optimaal, je kon namelijk zomaar ontslagen
worden. Kinderen kregen vaak geen onderwijs, maar werkten vanaf jongen leeftijd.
De werkenden verzorgden hun ouders, omdat zij hen hadden grootgebracht. Op die manier
ontstond een contract tussen de generaties.
De socialistische partijen en arbeidsbeweging pleitten voor betere bescherming, daarom werd het
kinderwetje van Van Houten ingevoerd (kinderen onder de twaalf jaar mochten niet werken). Vanuit
daar werden steeds meer nieuwe wetten ingevoerd ter bescherming van de arbeiders (bv. de AOW,
de bijstand).
In de verzorgingsstaat (= de samenleving waarin de overheid zorgt voor sociale zekerheid.) heeft de
overheid de taak sociale doelen te bereiken door in te grijpen in de inkomensverdeling en
arbeidsomstandigheden. Zo hangen mensen niet meer zoveel af van hun familie.
Het stellen van sociale zekerheid bestaat uit:
- Sociale voorzieningen: worden betaald uit belastingen, bijvoorbeeld de bijstand.
- Sociale verzekeringen: worden betaald uit premies, volksverzekeringen (voor iedereen): de
AOW, Wlz (wet langdurige zorg), ANW (algemene nabestaandenwet) en de AKW (algemene
Kinderbijslagwet; en werknemersverzekeringen (voor mensen in loondienst).
De volksverzekeringen:
- De AOW: voor iedereen ouder dan de AOW-gerechtigde leeftijd, voor iedereen even hoog:
het sociale minimum.
- De Wlz: vergoedt de kosten van langdurige verpleging en psychiatrie, afhankelijk van
inkomen en vermogen.
- De ANW: nabestaanden (partner/kinderen tot 18 jaar) krijgen een minimumuitkering,
inkomensafhankelijk.
- AKW: voor huishoudens met kinderen onder de 18, voor kosten van kinderen (uit belastingen
betaald, dus wordt ook wel sociale voorziening genoemd).
Werknemersverzekeringen zijn de WW (werkeloosheid wet), ZW (ziektewet) en de WIA (wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen).
De i/a-ratio is de verhouding tussen de inactieven (mensen in werkeloosheid wetten) en de actieven
(de werkzame personen van 15 jaar en ouder). De formule:
Inactieven
I/a-ratio = —————— x 100
Actieven
Paragraaf 3
De overheid herverdeelt de inkomens, door belastingen en premies om te zetten in uitkeringen.
Jongeren en ouderen zijn netto ontvangers en werkenden zijn netto-betalers. Het netto-profijt van de
overheid is het profijt voor de burgers van de overheid minus de afdrachten aan de overheid.
Er zijn naast inkomen en vermogen ook andere vormen van intergenerationele ruil (= ruilen over
generaties):
- De wetenschap bouwt voort op kennis uit het verleden, de overdracht van kennis.
- Milieuproblemen zijn erfenissen van vorige generaties.
Als de overheid het profijtbeginsel hanteert, betalen degenen die gebruikmaken van een voorziening
voor deze voorziening. Bij het draagkrachtbeginsel, betalen degenen met een hoog inkomen
procentueel een groter deel van de uitgaven dan degenen met een laag inkomen.
Paragraaf 1
Iedereen doorloopt verschillende fasen in de levensloop. Eerst jong, dan werkend en ten slotte
ouderdom. Iedere fase kent zijn eigen keuzes, maar de fasen staan niet los van elkaar. Jongeren zijn
bijvoorbeeld afhankelijk van hun ouders en ouderen afhankelijk van de werkenden.
Paragraaf 2
Door ongezonde voeding en slechte werkomstandigheden in fabrieken was de levensverwachting
laag. Het gewone volk kon ziekenzorg niet betalen en waren aangewezen op mantelzorg. Ook was de
bestaanszekerheid van het werken in fabrieken niet optimaal, je kon namelijk zomaar ontslagen
worden. Kinderen kregen vaak geen onderwijs, maar werkten vanaf jongen leeftijd.
De werkenden verzorgden hun ouders, omdat zij hen hadden grootgebracht. Op die manier
ontstond een contract tussen de generaties.
De socialistische partijen en arbeidsbeweging pleitten voor betere bescherming, daarom werd het
kinderwetje van Van Houten ingevoerd (kinderen onder de twaalf jaar mochten niet werken). Vanuit
daar werden steeds meer nieuwe wetten ingevoerd ter bescherming van de arbeiders (bv. de AOW,
de bijstand).
In de verzorgingsstaat (= de samenleving waarin de overheid zorgt voor sociale zekerheid.) heeft de
overheid de taak sociale doelen te bereiken door in te grijpen in de inkomensverdeling en
arbeidsomstandigheden. Zo hangen mensen niet meer zoveel af van hun familie.
Het stellen van sociale zekerheid bestaat uit:
- Sociale voorzieningen: worden betaald uit belastingen, bijvoorbeeld de bijstand.
- Sociale verzekeringen: worden betaald uit premies, volksverzekeringen (voor iedereen): de
AOW, Wlz (wet langdurige zorg), ANW (algemene nabestaandenwet) en de AKW (algemene
Kinderbijslagwet; en werknemersverzekeringen (voor mensen in loondienst).
De volksverzekeringen:
- De AOW: voor iedereen ouder dan de AOW-gerechtigde leeftijd, voor iedereen even hoog:
het sociale minimum.
- De Wlz: vergoedt de kosten van langdurige verpleging en psychiatrie, afhankelijk van
inkomen en vermogen.
- De ANW: nabestaanden (partner/kinderen tot 18 jaar) krijgen een minimumuitkering,
inkomensafhankelijk.
- AKW: voor huishoudens met kinderen onder de 18, voor kosten van kinderen (uit belastingen
betaald, dus wordt ook wel sociale voorziening genoemd).
Werknemersverzekeringen zijn de WW (werkeloosheid wet), ZW (ziektewet) en de WIA (wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen).
De i/a-ratio is de verhouding tussen de inactieven (mensen in werkeloosheid wetten) en de actieven
(de werkzame personen van 15 jaar en ouder). De formule:
Inactieven
I/a-ratio = —————— x 100
Actieven
Paragraaf 3
De overheid herverdeelt de inkomens, door belastingen en premies om te zetten in uitkeringen.
Jongeren en ouderen zijn netto ontvangers en werkenden zijn netto-betalers. Het netto-profijt van de
overheid is het profijt voor de burgers van de overheid minus de afdrachten aan de overheid.
Er zijn naast inkomen en vermogen ook andere vormen van intergenerationele ruil (= ruilen over
generaties):
- De wetenschap bouwt voort op kennis uit het verleden, de overdracht van kennis.
- Milieuproblemen zijn erfenissen van vorige generaties.
Als de overheid het profijtbeginsel hanteert, betalen degenen die gebruikmaken van een voorziening
voor deze voorziening. Bij het draagkrachtbeginsel, betalen degenen met een hoog inkomen
procentueel een groter deel van de uitgaven dan degenen met een laag inkomen.