MEDEKLINKERWISSELING TUSSEN ENKEL- EN MEERVOUDSVORMEN1
Een combinatie van spellingsbeginselen
Nicoline van der Sijs en Margit Rem
Samenvatting van Britta Peters
In de moderne Nederlandse taal hebben we te maken met een aantal spellingsregels. De
eerste is die van de standaarduitspraak. ‘We spellen een woord met de klanken die we
horen in de standaarduitspraak van dat woord’2. Een tweede spellingsregel is die van de
etymologie. De spelling van een woord wordt namelijk bepaald door de herkomst. De derde
en meteen laatste spellingsregel is die van de gelijkvormigheid. We proberen een woord
zoveel mogelijk op dezelfde manier te spellen. Als we volgens deze regels het woord ‘hond’
bekijken, dan wordt deze uitgesproken als /hont/. Het meervoud is echter ‘honden’,
waardoor we het woord met een /d/ schrijven. Hier gaat dus de gelijkvormigheidsregel op.
Het is belangrijk om te weten dat er in het Nederlands nooit een -v of een -z aan het
einde van een lettergreep kan staan. Deze worden vervangen door een -f of een -s. Wel kan
een lettergreep eindigen op -b of -d. Wat ook belangrijk is, is dat woorden die eindigen op
een -s of een -f altijd een meervoudsvorm met -s hebben (bv. kous/kousen), met z, of met f
en v. Terwijl woorden die eindigen op een -b en -d altijd een meervoudsvorm met -b of -d
hebben. Ditzelfde geldt voor woorden op -t en -p, deze hebben een meervoudsvorm met -t
en -p. Bij afleidingen gaat het net weer even anders: woorden op -b en -d worden
gelijkvormig gespeld met een stemhebbende medeklinker, terwijl woorden op -s en -f een
stemloze medeklinker hebben. Dan vindt er bij een aantal substantieven nog een
verandering plaats van de klinker of de tweeklank. De korte klinkers en de tweeklank -ei
veranderen in het meervoud naar een lange klinker. Voor woorden die eindigen op een -d of
-b heeft dat geen effect, maar de woorden of -s en -f krijgen dan in het meervoud ineens een
stemhebbende medeklinker. Waarom verandert deze bij de -b en -d niet?
In het Nederlands bestaan er minimale paren op het gebied van stem, namelijk t/d en p/b en
f/v en s/z. Als voorbeeld de s/z, waarin de -s stemloos is en de -z stemhebbend. De
tegenstelling tussen deze stemhebbende en stemloze medeklinkers is niet op hetzelfde
moment in de geschiedenis ontstaan. Zo komt de tegenstelling t/d en p/b uit het Germaans.
Dit leidde tot minimale paren aan het begin van het woord en later ook aan het eind van een
woord. In het Oudnederlands trad verscherping op: de stemhebbende medeklinkers aan het
einde van een woord werden stemloos uitgesproken. Hierdoor vielen de klanken samen, wat
ook in het schrift werd gedaan (bv. ‘pat’ voor pad/weg). Sommige woorden vielen hierdoor
ook samen (bv. ‘rat’ voor het dier rat en voor raden). Gelukkig kwam dit niet vaak voor,
omdat veel zelfstandige naamwoorden nog de uitgang -e hadden. In het Germaans kwamen
de -s en de -z naast elkaar voor, terwijl in het West-Germaans de -z veranderde in de -r en
alleen de -s overbleef, die verandering noemen we rotacisme. Ook kende het Germaans
alleen de stemloze -f en dus niet de stemhebbende -v. Pas toen vanaf de dertiende eeuw
1
Sijs, Nicoline van der en Margit Rem. “Medeklinkerwisseling tussen enkel- en meervoudsvormen”. Taal en
Tongval, vol. 73, nr. 2, Amsterdam UP, december 2021, pp. 137–66. https://doi.org/10.5117/tet2021.2.vand.
2
Sijs, Nicoline van der en Margit Rem. “Medeklinkerwisseling tussen enkel- en meervoudsvormen”. Taal en
Tongval, vol. 73, nr. 2, Amsterdam UP, december 2021, pp. 137–66. https://doi.org/10.5117/tet2021.2.vand.
Een combinatie van spellingsbeginselen
Nicoline van der Sijs en Margit Rem
Samenvatting van Britta Peters
In de moderne Nederlandse taal hebben we te maken met een aantal spellingsregels. De
eerste is die van de standaarduitspraak. ‘We spellen een woord met de klanken die we
horen in de standaarduitspraak van dat woord’2. Een tweede spellingsregel is die van de
etymologie. De spelling van een woord wordt namelijk bepaald door de herkomst. De derde
en meteen laatste spellingsregel is die van de gelijkvormigheid. We proberen een woord
zoveel mogelijk op dezelfde manier te spellen. Als we volgens deze regels het woord ‘hond’
bekijken, dan wordt deze uitgesproken als /hont/. Het meervoud is echter ‘honden’,
waardoor we het woord met een /d/ schrijven. Hier gaat dus de gelijkvormigheidsregel op.
Het is belangrijk om te weten dat er in het Nederlands nooit een -v of een -z aan het
einde van een lettergreep kan staan. Deze worden vervangen door een -f of een -s. Wel kan
een lettergreep eindigen op -b of -d. Wat ook belangrijk is, is dat woorden die eindigen op
een -s of een -f altijd een meervoudsvorm met -s hebben (bv. kous/kousen), met z, of met f
en v. Terwijl woorden die eindigen op een -b en -d altijd een meervoudsvorm met -b of -d
hebben. Ditzelfde geldt voor woorden op -t en -p, deze hebben een meervoudsvorm met -t
en -p. Bij afleidingen gaat het net weer even anders: woorden op -b en -d worden
gelijkvormig gespeld met een stemhebbende medeklinker, terwijl woorden op -s en -f een
stemloze medeklinker hebben. Dan vindt er bij een aantal substantieven nog een
verandering plaats van de klinker of de tweeklank. De korte klinkers en de tweeklank -ei
veranderen in het meervoud naar een lange klinker. Voor woorden die eindigen op een -d of
-b heeft dat geen effect, maar de woorden of -s en -f krijgen dan in het meervoud ineens een
stemhebbende medeklinker. Waarom verandert deze bij de -b en -d niet?
In het Nederlands bestaan er minimale paren op het gebied van stem, namelijk t/d en p/b en
f/v en s/z. Als voorbeeld de s/z, waarin de -s stemloos is en de -z stemhebbend. De
tegenstelling tussen deze stemhebbende en stemloze medeklinkers is niet op hetzelfde
moment in de geschiedenis ontstaan. Zo komt de tegenstelling t/d en p/b uit het Germaans.
Dit leidde tot minimale paren aan het begin van het woord en later ook aan het eind van een
woord. In het Oudnederlands trad verscherping op: de stemhebbende medeklinkers aan het
einde van een woord werden stemloos uitgesproken. Hierdoor vielen de klanken samen, wat
ook in het schrift werd gedaan (bv. ‘pat’ voor pad/weg). Sommige woorden vielen hierdoor
ook samen (bv. ‘rat’ voor het dier rat en voor raden). Gelukkig kwam dit niet vaak voor,
omdat veel zelfstandige naamwoorden nog de uitgang -e hadden. In het Germaans kwamen
de -s en de -z naast elkaar voor, terwijl in het West-Germaans de -z veranderde in de -r en
alleen de -s overbleef, die verandering noemen we rotacisme. Ook kende het Germaans
alleen de stemloze -f en dus niet de stemhebbende -v. Pas toen vanaf de dertiende eeuw
1
Sijs, Nicoline van der en Margit Rem. “Medeklinkerwisseling tussen enkel- en meervoudsvormen”. Taal en
Tongval, vol. 73, nr. 2, Amsterdam UP, december 2021, pp. 137–66. https://doi.org/10.5117/tet2021.2.vand.
2
Sijs, Nicoline van der en Margit Rem. “Medeklinkerwisseling tussen enkel- en meervoudsvormen”. Taal en
Tongval, vol. 73, nr. 2, Amsterdam UP, december 2021, pp. 137–66. https://doi.org/10.5117/tet2021.2.vand.