Engels samenvatting
Past simple
Wanneer gebruik je deze tijd? Verleden tijd = iets in het verleden gebeurd
en afgelopen.
Hoe maak je deze tijd? 1. Werkwoord + ed
2. 2e rij onregelmatige werkwoorden
Voorbeeld: My mother liked chocolate five years ago.
Past continuous
Wanneer gebruik je deze tijd? Om aan te geven dat iets in het verleden
een tijdje aan de gang was.
Hoe maak je deze tijd? To be (was/were) + werkwoord + ing
Voorbeeld: I was watching a good movie.
Used to
Wanneer gebruik je het? Oude gewoontes, bij situaties die
vroeger/voorheen anders waren.
Hoe maak je het? 1. Bevestigende zinnen
- Used to + hele werkwoord
2. Ontkennende zinnen
- Didn’t use to + hele werkwoord
3. Vraag zinnen
- Did + onderwerp + use to + hele
werkwoord
Voorbeeld: 1. Kevin used to be a good
tennisplayer.
2. Milan didn’t use to have red hair.
3. Did Shauni use to walk to school?
Adjectives and adverbs
Wanneer gebruik je adjective? Zelfstandig naamwoord
Hoe maak je adjective? /
Voorbeeld: The big house.
Wanneer gebruik je adverbs? Werkwoord bijvoegelijk naamwoord
Hoe maak je adverb? Werkwoord + ly
Uitzonderingen: -le ly
-y ily
-ic ically
Good well
Voorbeeld: He’s walking quickly.
Past simple
Wanneer gebruik je deze tijd? Verleden tijd = iets in het verleden gebeurd
en afgelopen.
Hoe maak je deze tijd? 1. Werkwoord + ed
2. 2e rij onregelmatige werkwoorden
Voorbeeld: My mother liked chocolate five years ago.
Past continuous
Wanneer gebruik je deze tijd? Om aan te geven dat iets in het verleden
een tijdje aan de gang was.
Hoe maak je deze tijd? To be (was/were) + werkwoord + ing
Voorbeeld: I was watching a good movie.
Used to
Wanneer gebruik je het? Oude gewoontes, bij situaties die
vroeger/voorheen anders waren.
Hoe maak je het? 1. Bevestigende zinnen
- Used to + hele werkwoord
2. Ontkennende zinnen
- Didn’t use to + hele werkwoord
3. Vraag zinnen
- Did + onderwerp + use to + hele
werkwoord
Voorbeeld: 1. Kevin used to be a good
tennisplayer.
2. Milan didn’t use to have red hair.
3. Did Shauni use to walk to school?
Adjectives and adverbs
Wanneer gebruik je adjective? Zelfstandig naamwoord
Hoe maak je adjective? /
Voorbeeld: The big house.
Wanneer gebruik je adverbs? Werkwoord bijvoegelijk naamwoord
Hoe maak je adverb? Werkwoord + ly
Uitzonderingen: -le ly
-y ily
-ic ically
Good well
Voorbeeld: He’s walking quickly.