samenvatting geschiedenis hoofdstuk 7
Paragraaf 1 : De verlichting
❖ kenmerkend aspect : rationeel en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle
terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale
verhoudingen
❖ de encyclopédie → diderot en d’Alembert
- boegbeeld verlichting
- alle nuttige kennis verzamelen : is basis voor verlichting
- inhoud : wetenschappelijke info en feiten, ook kritische artikelen over kerk,
geloof, maatschappelijke verhoudingen en politiek
-
- in de 18e eeuw meenden ontwikkelde mensen dat kennis en verstand de mensheid
hielpen om vanuit ‘de duisternis’ {onwetendheid, domheid en intolerantie} naar ‘het
licht’ { kennis, inzicht en verdraagzaamheid } te komen
- er ontstond optimisme over de mogelijkheid om met het verstand alles te
verbeteren { optimistisch rationalisme }
- rationalisme en kennis zou de wereld beter maken
- wetenschappelijke revolutie werd voortgebouwd door een revolutie in het
denken die de verlichting wordt genoemd
❖ verlichting
- filosofische stroming voortkomend uit de wetenschappelijke revolutie
- optimistisch rationalisme
- ontstaan in Engeland eind 17e eeuw, maar Parijs werd het centrum van de
verlichting in de 18e eeuw
- niet geloof of traditie, maar verstand brengt waarheid
- vooruitgangsgeloof : alle problemen kunnen worden opgelost
- traditionele ideeën { over : geloof, sociale verhoudingen, politiek en economie
worden ter discussie gesteld }
● godsdienst → Voltaire
- tegen godsdienstige intolerantie → alle religies gelijke rechten en het was
immers niet te bewijzen dat het ene geloof gelijk had en de andere niet
- anti-democratisch : een verlicht absolutisme vorst moet ‘domme’ bevolking
regeren
- was een deïst : god schiep het universum en bemoeide zich er verder niet
mee
● sociale verhoudingen → Rousseau
- in 18e eeuw waren de samenlevingen vol ongelijkheid → adel en
geestelijkheid voorrechten
- dat een deel van de bevolking arm en achterlijk bleef vond Voltaire niet erg
, - in 1754 schreef Rousseau dat alle mensen van nature gelijk zijn → behoorde
tot verlichte denkers die vonden dat bestaande ongelijkheden in strijd met de
rede waren
- verschillen die niet gebaseerd waren op prestaties moesten verdwijnen
● politiek → john locke
- met rationalisme en optimisme wilden verlichte denkers de politiek verbeteren
- locke stelde dat koningen en regeringen hun macht niet krijgen van God,
maar van de burgers
- bestuurden moesten mensenrechten beschermen
- overheid moest volgens locke niet boven de wet staan
- hij was voor de rechtstaat waarin rechten en plichten van burgers en overheid
zijn vastgesteld in wetten
- burgers mogen slecht bestuur vervangen
→ locke bepleitte scheiding van de kerk en staat : de staat bemoeit zich niet met het
geloof, dat is een individuele zaak
- Rousseau
- gaat net als locke uit van volkssoevereiniteit → meende dat het hoogste
gezag in de staat, afkomstig is van het volk. Gezag moet worden uitgeoefend
in de naam van het volk
- er moet een volksvergadering zijn die de Algemene wil { deze
volkssoevereiniteit } uitvoert, iedereen houdt zich aan de besluiten van de
vergadering
- Montesquieu
- als één persoon of groep alle politieke macht heeft, leidt dat volgens hem
onvermijdelijk tot corruptie, machtsmisbruik en onderdrukking
- boek : ‘Over de geest van wetten’ 1748 → legt Trias politica uit
- het sociaal contract : locke en rousseau
- in denkbeeldige natuurtoestand was iedereen vrij en gelijk en beschikte over
natuurlijke rechte o.a. : bezit, leven en vrijheid
- zonder gezag zijn deze rechten moeilijk te verwezenlijken tegenover anderen,
daarom :
- burgers sluiten sociaal contract → deel vrijheid
- overheid → regeert { beschermd }
- het sociaal contract : locke en rousseau
- ook denkbeeldige natuurtoestand waar iedereen vrij is
- volksvergadering { directe democratie } → regeert { die de Algemene Wil
uitvoert }
- burgers → vrijheid { volk is soeverein maar iedereen onderwerpt zich vrijwillig
aan wetten die de Algemene Wil vertegenwoordigen }
Paragraaf 1 : De verlichting
❖ kenmerkend aspect : rationeel en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle
terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale
verhoudingen
❖ de encyclopédie → diderot en d’Alembert
- boegbeeld verlichting
- alle nuttige kennis verzamelen : is basis voor verlichting
- inhoud : wetenschappelijke info en feiten, ook kritische artikelen over kerk,
geloof, maatschappelijke verhoudingen en politiek
-
- in de 18e eeuw meenden ontwikkelde mensen dat kennis en verstand de mensheid
hielpen om vanuit ‘de duisternis’ {onwetendheid, domheid en intolerantie} naar ‘het
licht’ { kennis, inzicht en verdraagzaamheid } te komen
- er ontstond optimisme over de mogelijkheid om met het verstand alles te
verbeteren { optimistisch rationalisme }
- rationalisme en kennis zou de wereld beter maken
- wetenschappelijke revolutie werd voortgebouwd door een revolutie in het
denken die de verlichting wordt genoemd
❖ verlichting
- filosofische stroming voortkomend uit de wetenschappelijke revolutie
- optimistisch rationalisme
- ontstaan in Engeland eind 17e eeuw, maar Parijs werd het centrum van de
verlichting in de 18e eeuw
- niet geloof of traditie, maar verstand brengt waarheid
- vooruitgangsgeloof : alle problemen kunnen worden opgelost
- traditionele ideeën { over : geloof, sociale verhoudingen, politiek en economie
worden ter discussie gesteld }
● godsdienst → Voltaire
- tegen godsdienstige intolerantie → alle religies gelijke rechten en het was
immers niet te bewijzen dat het ene geloof gelijk had en de andere niet
- anti-democratisch : een verlicht absolutisme vorst moet ‘domme’ bevolking
regeren
- was een deïst : god schiep het universum en bemoeide zich er verder niet
mee
● sociale verhoudingen → Rousseau
- in 18e eeuw waren de samenlevingen vol ongelijkheid → adel en
geestelijkheid voorrechten
- dat een deel van de bevolking arm en achterlijk bleef vond Voltaire niet erg
, - in 1754 schreef Rousseau dat alle mensen van nature gelijk zijn → behoorde
tot verlichte denkers die vonden dat bestaande ongelijkheden in strijd met de
rede waren
- verschillen die niet gebaseerd waren op prestaties moesten verdwijnen
● politiek → john locke
- met rationalisme en optimisme wilden verlichte denkers de politiek verbeteren
- locke stelde dat koningen en regeringen hun macht niet krijgen van God,
maar van de burgers
- bestuurden moesten mensenrechten beschermen
- overheid moest volgens locke niet boven de wet staan
- hij was voor de rechtstaat waarin rechten en plichten van burgers en overheid
zijn vastgesteld in wetten
- burgers mogen slecht bestuur vervangen
→ locke bepleitte scheiding van de kerk en staat : de staat bemoeit zich niet met het
geloof, dat is een individuele zaak
- Rousseau
- gaat net als locke uit van volkssoevereiniteit → meende dat het hoogste
gezag in de staat, afkomstig is van het volk. Gezag moet worden uitgeoefend
in de naam van het volk
- er moet een volksvergadering zijn die de Algemene wil { deze
volkssoevereiniteit } uitvoert, iedereen houdt zich aan de besluiten van de
vergadering
- Montesquieu
- als één persoon of groep alle politieke macht heeft, leidt dat volgens hem
onvermijdelijk tot corruptie, machtsmisbruik en onderdrukking
- boek : ‘Over de geest van wetten’ 1748 → legt Trias politica uit
- het sociaal contract : locke en rousseau
- in denkbeeldige natuurtoestand was iedereen vrij en gelijk en beschikte over
natuurlijke rechte o.a. : bezit, leven en vrijheid
- zonder gezag zijn deze rechten moeilijk te verwezenlijken tegenover anderen,
daarom :
- burgers sluiten sociaal contract → deel vrijheid
- overheid → regeert { beschermd }
- het sociaal contract : locke en rousseau
- ook denkbeeldige natuurtoestand waar iedereen vrij is
- volksvergadering { directe democratie } → regeert { die de Algemene Wil
uitvoert }
- burgers → vrijheid { volk is soeverein maar iedereen onderwerpt zich vrijwillig
aan wetten die de Algemene Wil vertegenwoordigen }