Belastingrecht
Hoofdstuk 1: inleiding belastingrecht
Belastingen zijn:
Gedwongen belastingen aan de overheid
Op grond van publiekrechtelijke regelingen
Waar geen rechtstreekse tegenprestatie van de overheid tegenover staat en
Die geen bestraffend karakter hebben.
Proportioneel tarief
Is een tarief met een gelijkblijvend percentage, het percentage is dus altijd hetzelfde.
Voorbeelden:
Omzetbelastingen (9% of 21%)
Overdrachtsbelasting (2% of 6% of 8%)
Assurantiebelastingen (21%)
Kansspelbelasting (29%)
Accijns.
Progressief tarief
Bij inkomen uit werk en woning (box 1), dan wordt bij de heffing een zogenoemd progressief tarief
gehanteerd.
Voorbeeld:
Box 1 van de inkomstenbelasting
Erfbelasting
Schenkbelasting
Vennootschapsbelasting
Belastingbeginselen
Er zijn vier beginselen:
1. Draagkrachtbeginsel
De financieel sterkere moeten meer belasting betalen.
2. Profijtbeginsel
Iemand die meer profijt (voordeel) heeft van overheidsvoorzieningen, betaald diegene extra
in de vorm van een specifieke belasting.
3. Beginsel van de minste pijn
Als belasting wordt geheven, moet dat op een manier die zo min mogelijk pijn doet.
4. Beginsel van de bevoorrechte verkrijging.
Wanneer iemand een erfenis of schenking krijgt, dan wordt daar belasting over geheven.
, Directe en indirecte belastingen
Directe belastingen: worden geheven van inkomen, winst en vermogen.
Indirecte belastingen: wordt de waarde van een bepaald goed of een bepaalde dienst
verhoogd met belasting.
Aanslagbelastingen en aangiftebelastingen
Aanslagbelastingen: aangifte klaargezet door belastingdienst, aangifte invullen, aanslag en
betaling.
Aangiftebelastingen: zelf omvang berekenen, op eigen initiatief aangifte doen en zelf
belastingschuld betalen.
Bronnen belastingrecht
1. Nationale wet- en regelgeving.
2. Beleidsregels en regelgeving
3. Beleidsregels en resoluties
4. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
5. Jurisprudentie
6. Verdragen
7. Europese regelgeving.
Wetten in materiële zin: regels die de burgers binden.
Wetten in formele zin: tot stand gekomen door de regering en Staten-Generaal samen.
Abbb’s (algemene beginselen van behoorlijk bestuur):
Zorgvuldigheidsbeginsel: de nodige kennis en feiten en er moet goed gekeken worden naar
de belangen.
Verbod van détournement de pouvoir: de belastingdienst mag geen misbruik maken van zijn
macht.
Hoofdstuk 1: inleiding belastingrecht
Belastingen zijn:
Gedwongen belastingen aan de overheid
Op grond van publiekrechtelijke regelingen
Waar geen rechtstreekse tegenprestatie van de overheid tegenover staat en
Die geen bestraffend karakter hebben.
Proportioneel tarief
Is een tarief met een gelijkblijvend percentage, het percentage is dus altijd hetzelfde.
Voorbeelden:
Omzetbelastingen (9% of 21%)
Overdrachtsbelasting (2% of 6% of 8%)
Assurantiebelastingen (21%)
Kansspelbelasting (29%)
Accijns.
Progressief tarief
Bij inkomen uit werk en woning (box 1), dan wordt bij de heffing een zogenoemd progressief tarief
gehanteerd.
Voorbeeld:
Box 1 van de inkomstenbelasting
Erfbelasting
Schenkbelasting
Vennootschapsbelasting
Belastingbeginselen
Er zijn vier beginselen:
1. Draagkrachtbeginsel
De financieel sterkere moeten meer belasting betalen.
2. Profijtbeginsel
Iemand die meer profijt (voordeel) heeft van overheidsvoorzieningen, betaald diegene extra
in de vorm van een specifieke belasting.
3. Beginsel van de minste pijn
Als belasting wordt geheven, moet dat op een manier die zo min mogelijk pijn doet.
4. Beginsel van de bevoorrechte verkrijging.
Wanneer iemand een erfenis of schenking krijgt, dan wordt daar belasting over geheven.
, Directe en indirecte belastingen
Directe belastingen: worden geheven van inkomen, winst en vermogen.
Indirecte belastingen: wordt de waarde van een bepaald goed of een bepaalde dienst
verhoogd met belasting.
Aanslagbelastingen en aangiftebelastingen
Aanslagbelastingen: aangifte klaargezet door belastingdienst, aangifte invullen, aanslag en
betaling.
Aangiftebelastingen: zelf omvang berekenen, op eigen initiatief aangifte doen en zelf
belastingschuld betalen.
Bronnen belastingrecht
1. Nationale wet- en regelgeving.
2. Beleidsregels en regelgeving
3. Beleidsregels en resoluties
4. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
5. Jurisprudentie
6. Verdragen
7. Europese regelgeving.
Wetten in materiële zin: regels die de burgers binden.
Wetten in formele zin: tot stand gekomen door de regering en Staten-Generaal samen.
Abbb’s (algemene beginselen van behoorlijk bestuur):
Zorgvuldigheidsbeginsel: de nodige kennis en feiten en er moet goed gekeken worden naar
de belangen.
Verbod van détournement de pouvoir: de belastingdienst mag geen misbruik maken van zijn
macht.