Hoofdstuk 5: Het IS-LM model
De goederenmarkt en de IS relatie
In hoofdstuk 3 hebben we de IS relatie al eens bekeken. De
evenwichtsvoorwaarde is Y = Z.
Y = c0 + c1(Y – T) + Ῑ + Ḡ
We gingen er vanuit dat investeringen een exogene variabelen was en dus de
vraag naar goederen niet beïnvloedde, maar nu worden deze endogeen.
Investeringen worden beïnvloed door 2 factoren:
productie Y : positief verband
rente i : negatief verband
I = I (Y,i) : Y stijgt I daalt de uitgebreide IS-relatie
(+,-) i stijgt I daalt de evenwichtsvoorwaarde: Y = C(Y – T) +
I(Y,i) + G
I daalt I stijgt
Figuur 5.1: De output bepalen
Voor een gegeven intrest i, is de vraag naar output een stijgende output.
Wanneer Y ↑ (Y – T) ↑ C(Y –T) ↑
Y ↑ I(Y,i)
DUS een stijging van Y leidt tot een stijging van Z.
Het evenwicht wordt bereikt waar de vraag naar goederen gelijk is aan de uitput.
ZZ is een curve en geen lijn, want geen lineair verband.
Figuur 5.2: Invloed van een verandering van i (IS curve afleiden)
Hoe gaan we de IS curve tekenen?
Er is een positief verband tussen de vraag en Y.
We laten Y neer op de IS grafiek en laten hier een willekeurige rente mee overeen
komen.
Als i ↑ I ↓ Z ↓ Y ↓ daling van ZZ naar ZZ’. Er ontstaat een nieuw
snijpunt. Dit laten we opnieuw neer en laten we samenvallen met i’.
We gaan de twee punten verbinden en bekomen de IS curve. Want de IS curve is
de verzameling van alle koppels (Y,i) waarvoor de goederenmarkt zich in een
evenwicht bevindt. Er is een negatief verband tussen i en Y, dus een dalende
functie.
i is veranderd dus er gebeurt gewoon een verandering op de curve zelf.
, Figuur 5.3: de invloed van een verandering van T of G
In het algemeen gaat een curve verschuiven, wanneer een variabele die niet op
de assen staat veranderd. (I, T, G, …).
Op de figuur stijgt T YD daalt C daalt Z daalt Y daalt
Een verandering in het budgettair beleid zorgt ALTIJD voor een verschuiving van
de IS-curve.
Expansief budgettair beleid:
Als T daalt en G stijgt, zal de grafiek naar rechts verschuiven.
Restrictief budgettair beleid:
Als T stijgt en G daalt, zal de grafiek naar links verschuiven.
Samenvatting
Het evenwicht in de goederenmarkt betekent dat een stijging van de rentevoet
zal leiden tot een daling van de output. Deze wordt weergegeven door een
dalende IS-functie.
Bij een gegeven intrest, zal de IS-curve naar links verschuiven bij een daling van
de vraag naar goederen en naar rechts verschuiven bij een stijging van de vraag
naar goederen.
De financiële markt en de LM relatie
In hoofdstuk 4 hebben we de evenwichtsvoorwaarde bij de LM-relatie besproken:
Ms = Md M = $YL(i)
Deze formule geeft de relatie weer tussen geld, nominaal inkomen en
intrest. Maar het zou
beter zijn mochten we deze weergeven in reëel geld, reëel inkomen en
intrest.
M $ YL(i)
= =YL(i) de LM relatie
P P
De LM curve tekent de relatie tussen Y en i voor reële M s = reële Md
Figuur 5.4: afleiden van de LM curve (Y verandert)
(a) Ms staat voor het reële geldaanbod (M/P). We zien duidelijk dat dit een
verticale rechte is: voor een gegeven Y, is Ms een stijgende functie van
interest. Er is een negatief verband tussen i en Md.
(b) Hoe gaan we de LM-curve tekenen?
We trekken het snijpunt van Ms en Md door naar de tweede grafiek en
verbinden i met een willekeurige Y. We laten Y stijgen, en trekken ook deze
door naar de LM grafiek.
Y ↑ (M/P) ↑ Md ↑ Md > Ms i ↑ Md = Ms :
De goederenmarkt en de IS relatie
In hoofdstuk 3 hebben we de IS relatie al eens bekeken. De
evenwichtsvoorwaarde is Y = Z.
Y = c0 + c1(Y – T) + Ῑ + Ḡ
We gingen er vanuit dat investeringen een exogene variabelen was en dus de
vraag naar goederen niet beïnvloedde, maar nu worden deze endogeen.
Investeringen worden beïnvloed door 2 factoren:
productie Y : positief verband
rente i : negatief verband
I = I (Y,i) : Y stijgt I daalt de uitgebreide IS-relatie
(+,-) i stijgt I daalt de evenwichtsvoorwaarde: Y = C(Y – T) +
I(Y,i) + G
I daalt I stijgt
Figuur 5.1: De output bepalen
Voor een gegeven intrest i, is de vraag naar output een stijgende output.
Wanneer Y ↑ (Y – T) ↑ C(Y –T) ↑
Y ↑ I(Y,i)
DUS een stijging van Y leidt tot een stijging van Z.
Het evenwicht wordt bereikt waar de vraag naar goederen gelijk is aan de uitput.
ZZ is een curve en geen lijn, want geen lineair verband.
Figuur 5.2: Invloed van een verandering van i (IS curve afleiden)
Hoe gaan we de IS curve tekenen?
Er is een positief verband tussen de vraag en Y.
We laten Y neer op de IS grafiek en laten hier een willekeurige rente mee overeen
komen.
Als i ↑ I ↓ Z ↓ Y ↓ daling van ZZ naar ZZ’. Er ontstaat een nieuw
snijpunt. Dit laten we opnieuw neer en laten we samenvallen met i’.
We gaan de twee punten verbinden en bekomen de IS curve. Want de IS curve is
de verzameling van alle koppels (Y,i) waarvoor de goederenmarkt zich in een
evenwicht bevindt. Er is een negatief verband tussen i en Y, dus een dalende
functie.
i is veranderd dus er gebeurt gewoon een verandering op de curve zelf.
, Figuur 5.3: de invloed van een verandering van T of G
In het algemeen gaat een curve verschuiven, wanneer een variabele die niet op
de assen staat veranderd. (I, T, G, …).
Op de figuur stijgt T YD daalt C daalt Z daalt Y daalt
Een verandering in het budgettair beleid zorgt ALTIJD voor een verschuiving van
de IS-curve.
Expansief budgettair beleid:
Als T daalt en G stijgt, zal de grafiek naar rechts verschuiven.
Restrictief budgettair beleid:
Als T stijgt en G daalt, zal de grafiek naar links verschuiven.
Samenvatting
Het evenwicht in de goederenmarkt betekent dat een stijging van de rentevoet
zal leiden tot een daling van de output. Deze wordt weergegeven door een
dalende IS-functie.
Bij een gegeven intrest, zal de IS-curve naar links verschuiven bij een daling van
de vraag naar goederen en naar rechts verschuiven bij een stijging van de vraag
naar goederen.
De financiële markt en de LM relatie
In hoofdstuk 4 hebben we de evenwichtsvoorwaarde bij de LM-relatie besproken:
Ms = Md M = $YL(i)
Deze formule geeft de relatie weer tussen geld, nominaal inkomen en
intrest. Maar het zou
beter zijn mochten we deze weergeven in reëel geld, reëel inkomen en
intrest.
M $ YL(i)
= =YL(i) de LM relatie
P P
De LM curve tekent de relatie tussen Y en i voor reële M s = reële Md
Figuur 5.4: afleiden van de LM curve (Y verandert)
(a) Ms staat voor het reële geldaanbod (M/P). We zien duidelijk dat dit een
verticale rechte is: voor een gegeven Y, is Ms een stijgende functie van
interest. Er is een negatief verband tussen i en Md.
(b) Hoe gaan we de LM-curve tekenen?
We trekken het snijpunt van Ms en Md door naar de tweede grafiek en
verbinden i met een willekeurige Y. We laten Y stijgen, en trekken ook deze
door naar de LM grafiek.
Y ↑ (M/P) ↑ Md ↑ Md > Ms i ↑ Md = Ms :