Algemene feedback examen OMI september 2021
1. ABCD
Voor deze vraag verwijs je naar de verschillende vormen van activiteiten die aansluiten bij een
project ‘Kwartiermaken’. Belangrijk is dat je in essentie activiteiten geeft met een duidelijk inclusief
karakter. Deze vraag werd algemeen goed beantwoord.
De vraag naar de competenties die een kwartiermaker werd door heel wat studenten te algemeen
beantwoord. Het was hier niet de bedoeling om de algemene competenties van een professional in
het sociale werkveld te geven, er werd duidelijk gevraagd naar specifieke competenties van de
kwartiermaker.
2. LSCI
Deze vraag werd in het algemeen vrij goed beantwoord.
Essentieel binnen LSCI zijn 6 fasen van een LSCI gesprek en de 6 de patronen van zelfvernietigend
gedrag. Die zijn eigen en kenmerkend aan LSCI en vormen de basis van deze methode. Het is dan ook
van belang dat jullie deze beiden goed onder de knie hebben. Die worden zowel in de panopto, de
powerpoint als in het artikel van F. ‘Oosterlinck toegelicht. Deze vraag van LSCI polste dan ook naar
de patronen van zelfvernietigend gedrag. Belangrijk daarbij is dat je in een gesprek niet alleen het
juiste patroon kan selecteren om in de nieuwe kansen fasen mee aan de slag te gaan, maar dat je
ook de doelstelling kent die bij een interventie hoort. Elk patroon van zelfvernietigend gedrag leidt
tot een interventie van jou als begeleider met een specifieke doelstelling die bij dat patroon hoort.
Die doelstelling werd op het examen vaak niet specifiek beantwoord, vaak werden hier door jullie de
verschillende fasen van een gesprek benoemt eerder dan de specifieke doelstelling bij een bepaalde
interventie.
3. Gentle teaching
De vraag gentle teaching werd in het algemeen goed beantwoord.
Het is belangrijk dat je de verschillende pijlers goed kent en begrijpt zodat je ook weet wat het
belang van die pijlers is in het opbouwen van een relatie met de cliënt.
4. Emotionele ontwikkeling in verbinding
De 4 deelaspecten van emotionele beschikbaarheid (structuur, ruimte, sensitieve responsiviteit &
mildheid) is een zeer belangrijke kapstok als begeleider in spé en dient dus goed gekend te zijn.
Vandaar dat ik ook aangaf dat dit deel ook best in de cursus werd geleerd. Ik vermoed dat de
meesten van jullie dit advies niet opgevolgd hebben, deze vraag werd over het algemeen minder
goed beantwoord. Belangrijk is dat jullie deze 4 deelaspecten kunnen begrijpen (wat houdt dit in, uit
welke verschillende kenmerken bestaan ze?) en hoe kan je dit toepassen op gegeven situaties.
1. ABCD
Voor deze vraag verwijs je naar de verschillende vormen van activiteiten die aansluiten bij een
project ‘Kwartiermaken’. Belangrijk is dat je in essentie activiteiten geeft met een duidelijk inclusief
karakter. Deze vraag werd algemeen goed beantwoord.
De vraag naar de competenties die een kwartiermaker werd door heel wat studenten te algemeen
beantwoord. Het was hier niet de bedoeling om de algemene competenties van een professional in
het sociale werkveld te geven, er werd duidelijk gevraagd naar specifieke competenties van de
kwartiermaker.
2. LSCI
Deze vraag werd in het algemeen vrij goed beantwoord.
Essentieel binnen LSCI zijn 6 fasen van een LSCI gesprek en de 6 de patronen van zelfvernietigend
gedrag. Die zijn eigen en kenmerkend aan LSCI en vormen de basis van deze methode. Het is dan ook
van belang dat jullie deze beiden goed onder de knie hebben. Die worden zowel in de panopto, de
powerpoint als in het artikel van F. ‘Oosterlinck toegelicht. Deze vraag van LSCI polste dan ook naar
de patronen van zelfvernietigend gedrag. Belangrijk daarbij is dat je in een gesprek niet alleen het
juiste patroon kan selecteren om in de nieuwe kansen fasen mee aan de slag te gaan, maar dat je
ook de doelstelling kent die bij een interventie hoort. Elk patroon van zelfvernietigend gedrag leidt
tot een interventie van jou als begeleider met een specifieke doelstelling die bij dat patroon hoort.
Die doelstelling werd op het examen vaak niet specifiek beantwoord, vaak werden hier door jullie de
verschillende fasen van een gesprek benoemt eerder dan de specifieke doelstelling bij een bepaalde
interventie.
3. Gentle teaching
De vraag gentle teaching werd in het algemeen goed beantwoord.
Het is belangrijk dat je de verschillende pijlers goed kent en begrijpt zodat je ook weet wat het
belang van die pijlers is in het opbouwen van een relatie met de cliënt.
4. Emotionele ontwikkeling in verbinding
De 4 deelaspecten van emotionele beschikbaarheid (structuur, ruimte, sensitieve responsiviteit &
mildheid) is een zeer belangrijke kapstok als begeleider in spé en dient dus goed gekend te zijn.
Vandaar dat ik ook aangaf dat dit deel ook best in de cursus werd geleerd. Ik vermoed dat de
meesten van jullie dit advies niet opgevolgd hebben, deze vraag werd over het algemeen minder
goed beantwoord. Belangrijk is dat jullie deze 4 deelaspecten kunnen begrijpen (wat houdt dit in, uit
welke verschillende kenmerken bestaan ze?) en hoe kan je dit toepassen op gegeven situaties.