Waarde = belangrijke ideeën over wat waar/waardevol is
Norm = hoe wij vinden dat gedrag eruit moet zien (gedragsregels)
Attitudes = wat wij vinden dat normaal is
Algemeen aanvaard gedrag = gedrag dat men laat zien (manier van groeten)
Cultuurrelativisme = elke cultuur heeft eigen gelijk (vergelijken heeft geen zin)
Universalisme = sommige waarden voor iedereen (universele verklaring vd rechten vd mens)
Pluralisme = men is onderdeel van verschillende groeperingen (geen sprake van de NLse cultuur)
Primaire socialisatie thuis, sociale contacten
Secundaire socialisatie op school / werk
Dimensies van Hofstede
1. Grote of kleine machtsafstand
2. Individualisme of collectivisme
3. Masculien (macho) of feminien (vrouwelijk/gelijkheid)
4. Hoge of lage onzekerheidsvermijding GEMIDDELD
5. Lange of korte termijnoriëntatie
6. Hedonisme of soberheid
Edwart T. Hall
1. Hoge of lage context (Hoeveel informatie nodig bij communicatie)
2. Monochroom of polychroon (tijdsbeleving)
3. Fysieke ruimte: Dichtbij of afstand (trein)
Structuur = geheel van posities en groeperingen en de duurzame relaties die deze onderling
verbinden
Groeperingen:
- Groep: men kent elkaar, zelfde normen en waarden
- Collectiviteit, zelfde normen en waarden maar kent elkaar niet
- Sociale categorie, zelfde kenmerk
Interdependentie (afhankelijkheid van elkaar)
- Economische binding verdeling schaarse goederen
- Politieke bindingen fysieke dwang
- Affectieve bindingen liefde/genegenheid
- Cognitieve binding kennisvorming en kennisoverdracht
Sociale stratificatie = gelaagdheid in machtsverdeling