9.1.1 Situatieschets
In de populatie van veel scholen weerspiegelt zich de verscheidenheid van
de samenleving met immigranten. In dichtbevolkte provincies is de
verscheidenheid het grootst. In de grote steden is de helft van
buitenlandse afkomst. Leraren kunnen met taalachterstanden van hun
leerlingen te maken krijgen. Zij moeten dan Nederlands als tweede taal
(NT2) kunnen geven.
Veel tweetalige kinderen leren vanuit huis een andere taal. Vaak verloopt
het proces soepel; kinderen leren even goed hun eerste taal als
Nederlands. Dat is handig, omdat je een grotere woordenschat hebt, en
het bevordert het taalgevoel.
Niet alle kinderen doen dit in één keer goed, zij hebben NT2 nodig. Dit zijn
vooral kinderen die op latere leeftijd nar Nederland komen. Zij kunnen
beter eerst veel NT2 krijgen, voordat ze starten met de rest van de stof.
Hiervoor zijn centrale opvangklassen zeer geschikt.
De taak van het onderwijs voor anderstalige leerlingen is tweeledig:
- Het leren van Nederlands
- Het leren in het Nederlands
Gestructureerde taalverwerving: Nederlands leren in onderwijs en ermee
oefenen.
Ongestructureerde taalverwerving: Nederlands leren tijdens sociale
contacten (onbewust)
NT2 gaat over Nederlands maar het wordt ook in het Nederlands gegeven.
Voordeel: het taalaanbod is groter
Nadeel: het is eerst lastig te begrijpen in de beginfase
Van anderstalige kinderen wordt vaak gezegd dat ze een taalachterstand
hebben. Dit klopt niet; de kinderen hebben immers al een taal geleerd.
9.2 Ontwikkelingslijnen
Vier verschillende niveaus:
1. Het kind praat niet
2. Beginner: benoemen van handelingen ‘geven aan mij’ ‘zan’ i.p.v.
‘zand’
3. Half-gevorderd: het kind vervoegt werkwoorden
4. Gevorderd: verledentijdvormen, voegwoorden, overtreffende trap. Nog