§1. Levende cellen
Van systeem Aarde tot molecuul
De schaal waarop een biologisch onderzoek plaatsvindt, is het organisatieniveau. De
organisatieniveaus worden gerangschikt van klein naar groot:
Molecuul organel cel weefsel orgaan orgaanstelsel organisme populatie
soort levensgemeenschap ecosysteem systeem Aarde
Bij onderzoek op het niveau van de cel en het niveau van structuren binnen de cel,
organellen, gebruiken onderzoekers onder andere microscopen.
Organismen hebben bepaalde levenskenmerken:
- Opgebouwd uit één of meer cellen
- Groei
- Voortplanting
- Stofwisseling (opnemen, omzetten en afgeven van stoffen)
- Waarnemen van en reageren op veranderingen in de omgeving
- Organisatie van erfelijk materiaal
Eencellig meercellig
Cellen zijn de kleinste eenheid van leven. Ze bevatten één of meer microscopische kleine
structuren (organellen), die allemaal een eigen taak hebben en die nodig zijn om te
overleven. Elke celkern bevat DNA-moleculen, die de handleiding voor het leven bevatten.
De grootte van het oppervalk van de cel bepaalt de snelheid
van uitwisseling van stoffen met de omgeving. Als de
oppervlak-volumeverhouding relatief groot is (oppervlak is
groot ten opzichte van volume), kan de cel voldoende
zuurstof uit de omgeving opnemen voor zijn kleine volume.
Eencelligen zijn hier een voorbeeld van.
Meercellige organismen staan niet met alle cellen direct in contact met hun buitenomgeving.
Met het toenemen van de omvang van een organisme neemt het volume sneller toe dan het
oppervlak waarmee een organisme zuurstof uit de omgeving kan opnemen. Zuurstof opnemen
gaat dus moeilijker, maar het organisme houdt wel meer warmte vast.
Om toch de cellen van voldoende zuurstof en ook voedingsstoffen te kunnen voorzien, hebben
meercellige organismen gespecialiseerde organen ontwikkeld als longen, darmen en kieuwen.