Samenvatting de gezonde mens 1.1.4.
Lisa Moorman – THK1
* Het aantal vragen is een indicatie, dit kan iets verschillen met de uiteindelijke toets.
Leerdoelen Aantal
toetsvragen*
1. Beschrijft de anatomische houding, gebruikmakend van de anatomische 1
terminologie.
2. Legt het belang van homeostase en het principe van regelmechanismen uit. 7
3. Beschrijft de opbouw en functie van zenuwweefsel. 2
4. Beschrijft de opbouw en functie van de mondholte en de tractus digestivus in 10
relatie tot voedselopname en aandoeningen van het spijsverteringskanaal.
5. Legt de regulatie van het metabolisme van eiwitten, koolhydraten en vetten uit. 1
6. Beschrijft de samenstelling en de omvang van de diverse lichaamsvloeistoffen en 2
de effecten van verandering.
7. Beschrijft de ventilatie van de longen en de regulatie hiervan. 3
8. Beschrijft de normale opbouw en werking van het hart. 6
9. Beschrijft de samenstelling en functie van bloed, het bloedstollingsmechanisme 3
en de vorming van oedeem.
10. Legt het mechanisme van de korte termijn bloeddruk regulatie uit. 2
11. Beschrijft de farmacodynamiek van geneesmiddelen. 3
,Anatomie – 1064/9
Anatomische positie = standaard positie waarin structuren worden omschreven
• Rechtopstaand
• Armen langs de zij
• Palmen naar voren gericht
• Voeten bij elkaar met tenen naar voren gericht
• Links en rechts altijd voor de persoon die in de anatomische positie staat
Terminologie
Externus = buitenzijde
Internus = binnenzijde
Superfacilais = oppervlakkig gelegen
Profundus = dieper gelegen
Proximaal = dichter bij de romp (alleen gebruiken bij twee punten aan dezelfde ledemaat)
Distaal = verder van de romp af (alleen gebruiken bij twee punten aan dezelfde ledemaat)
Dexter = rechts (van de persoon zelf! Niet voor de kijker)
Sinister = links (van de persoon zelf! Niet voor de kijker)
Ventraal = aan buikzijde
Dorsaal = aan rugzijde
Anterior = naar de buikzijde
Posterior = naar de rugzijde
Craniaal = aan schedelzijde
Caudaal = aan staart zijde
Superior = richting de schedel
Inferior = richting de voeten
Mediaal = dichter bij midsagittalelijn / van buiten naar binnen kijken
Lateraal = verder van midsagittalelijn / van binnen naar buiten kijken
Vlakken met bijbehorende assen
• Sagittale vlak: verdeeld lichaam in links en rechts en heeft een transversale as
• Frontale vlak: verdeeld lichaam in voorkant en achterkant en heeft sagittale as
• Transversale/horizontale vlak: verdeeld lichaam in boven- en onderkant en heeft
longitudinale as
• Oblique/schuine vlak: elke schuine doorsnede van het lichaam
2
,Anatomie - 0186
Anatomie: mondholte
Leerdoelen:
• Begrenzingen van mondholte zijn…
• Globale structuren in de mondholte die zichtbaar zijn, zijn..
Cavitas oris (= mondholte)
• Start van spijsvertering
o Mechanische vertering: voedsel wordt verkleind door kauwen
o Enzymatische vertering: speeksel met enzymen wordt toegevoegd aan het voedsel
• Vormt verbinding van buitenwereld met binnen in ons lichaam
o Mondholte vormt open verbinding met keelholte
• Opdelen in 2 ruimtes :
o Cavitas oris proprium : ware kondholte → ruimte waarin de tong in rust zich bevind tussen de
tanden en kiezen
o Vestibulum oris : voorhoofd van mondholte → ruimte tussen lipen/wangen en elementen in BK en
OK
• Heeft 6 begrenzingen
Anterieure begrenzing (= voorste begrenzing) mondholte
• Wordt begrenst door de labia (lippen)
• Philtrum (1)
• Labium superius (2)
• Labium inferius (3)
• Frenulum (*) (= bandje)
o Frenulum lingue = tongbandje
• Sulcus nasolabialis (#)
Laterale begrenzingen (= zijkanten) mondholte (links en rechts)
• Buccae (= wangen)
• Begrenzingen:
o Superior: zygoma/arcus zygomaticus (= jukboog)
o Inferior: margina mandibula inferior (= onderkaakrand)
o Posterior: gl. Parotis (= speekselklier) → t.h.v. 2e bovenmolaar opening van afvoerbuis van
speekselklier
3
, Superiore begrenzing
• Palatum (= gehemelte):
o Palatum durum (hard gedeelte)
o Palatum molle (zachte gedeelte)
o Plicae palatinae tranversae zorgen ervoor dat het voedsel in de richting van de keel wordt gebracht /
voorkomen dan het voedsel via de mond naar buiten valt
o Raphe palati correspondeert met sluitingsnaad van 2 botdelen onder het slijmvlies
Posteriore begrenzing
• Overgang mondholte naar keelholte
• Keelbogen:
o Arcus palatoglossus → m. palatoglossus
o Arcus palatopharyngeus → m. palatpharyngeus
➔ Bevestiging hiervan aan het palatum molle is de aponeurosis palatina
➔ Hier tussenin bevinden zich de tonsilla palatina
Inferiore begrenzing
• Tong \
Verbonden d.m.v. tongbandje
• Regio sublingualis (onder de tong) = mondbodem /
• Linker plaatje is een superior aanzicht op mondbodem: opening van ductus submandibularis is de caruncula
sublingualis aan weerszijden van
frenulum lingualis
4
Lisa Moorman – THK1
* Het aantal vragen is een indicatie, dit kan iets verschillen met de uiteindelijke toets.
Leerdoelen Aantal
toetsvragen*
1. Beschrijft de anatomische houding, gebruikmakend van de anatomische 1
terminologie.
2. Legt het belang van homeostase en het principe van regelmechanismen uit. 7
3. Beschrijft de opbouw en functie van zenuwweefsel. 2
4. Beschrijft de opbouw en functie van de mondholte en de tractus digestivus in 10
relatie tot voedselopname en aandoeningen van het spijsverteringskanaal.
5. Legt de regulatie van het metabolisme van eiwitten, koolhydraten en vetten uit. 1
6. Beschrijft de samenstelling en de omvang van de diverse lichaamsvloeistoffen en 2
de effecten van verandering.
7. Beschrijft de ventilatie van de longen en de regulatie hiervan. 3
8. Beschrijft de normale opbouw en werking van het hart. 6
9. Beschrijft de samenstelling en functie van bloed, het bloedstollingsmechanisme 3
en de vorming van oedeem.
10. Legt het mechanisme van de korte termijn bloeddruk regulatie uit. 2
11. Beschrijft de farmacodynamiek van geneesmiddelen. 3
,Anatomie – 1064/9
Anatomische positie = standaard positie waarin structuren worden omschreven
• Rechtopstaand
• Armen langs de zij
• Palmen naar voren gericht
• Voeten bij elkaar met tenen naar voren gericht
• Links en rechts altijd voor de persoon die in de anatomische positie staat
Terminologie
Externus = buitenzijde
Internus = binnenzijde
Superfacilais = oppervlakkig gelegen
Profundus = dieper gelegen
Proximaal = dichter bij de romp (alleen gebruiken bij twee punten aan dezelfde ledemaat)
Distaal = verder van de romp af (alleen gebruiken bij twee punten aan dezelfde ledemaat)
Dexter = rechts (van de persoon zelf! Niet voor de kijker)
Sinister = links (van de persoon zelf! Niet voor de kijker)
Ventraal = aan buikzijde
Dorsaal = aan rugzijde
Anterior = naar de buikzijde
Posterior = naar de rugzijde
Craniaal = aan schedelzijde
Caudaal = aan staart zijde
Superior = richting de schedel
Inferior = richting de voeten
Mediaal = dichter bij midsagittalelijn / van buiten naar binnen kijken
Lateraal = verder van midsagittalelijn / van binnen naar buiten kijken
Vlakken met bijbehorende assen
• Sagittale vlak: verdeeld lichaam in links en rechts en heeft een transversale as
• Frontale vlak: verdeeld lichaam in voorkant en achterkant en heeft sagittale as
• Transversale/horizontale vlak: verdeeld lichaam in boven- en onderkant en heeft
longitudinale as
• Oblique/schuine vlak: elke schuine doorsnede van het lichaam
2
,Anatomie - 0186
Anatomie: mondholte
Leerdoelen:
• Begrenzingen van mondholte zijn…
• Globale structuren in de mondholte die zichtbaar zijn, zijn..
Cavitas oris (= mondholte)
• Start van spijsvertering
o Mechanische vertering: voedsel wordt verkleind door kauwen
o Enzymatische vertering: speeksel met enzymen wordt toegevoegd aan het voedsel
• Vormt verbinding van buitenwereld met binnen in ons lichaam
o Mondholte vormt open verbinding met keelholte
• Opdelen in 2 ruimtes :
o Cavitas oris proprium : ware kondholte → ruimte waarin de tong in rust zich bevind tussen de
tanden en kiezen
o Vestibulum oris : voorhoofd van mondholte → ruimte tussen lipen/wangen en elementen in BK en
OK
• Heeft 6 begrenzingen
Anterieure begrenzing (= voorste begrenzing) mondholte
• Wordt begrenst door de labia (lippen)
• Philtrum (1)
• Labium superius (2)
• Labium inferius (3)
• Frenulum (*) (= bandje)
o Frenulum lingue = tongbandje
• Sulcus nasolabialis (#)
Laterale begrenzingen (= zijkanten) mondholte (links en rechts)
• Buccae (= wangen)
• Begrenzingen:
o Superior: zygoma/arcus zygomaticus (= jukboog)
o Inferior: margina mandibula inferior (= onderkaakrand)
o Posterior: gl. Parotis (= speekselklier) → t.h.v. 2e bovenmolaar opening van afvoerbuis van
speekselklier
3
, Superiore begrenzing
• Palatum (= gehemelte):
o Palatum durum (hard gedeelte)
o Palatum molle (zachte gedeelte)
o Plicae palatinae tranversae zorgen ervoor dat het voedsel in de richting van de keel wordt gebracht /
voorkomen dan het voedsel via de mond naar buiten valt
o Raphe palati correspondeert met sluitingsnaad van 2 botdelen onder het slijmvlies
Posteriore begrenzing
• Overgang mondholte naar keelholte
• Keelbogen:
o Arcus palatoglossus → m. palatoglossus
o Arcus palatopharyngeus → m. palatpharyngeus
➔ Bevestiging hiervan aan het palatum molle is de aponeurosis palatina
➔ Hier tussenin bevinden zich de tonsilla palatina
Inferiore begrenzing
• Tong \
Verbonden d.m.v. tongbandje
• Regio sublingualis (onder de tong) = mondbodem /
• Linker plaatje is een superior aanzicht op mondbodem: opening van ductus submandibularis is de caruncula
sublingualis aan weerszijden van
frenulum lingualis
4