technieken
1. perifere bloedafname
⟹ Is een B2 handeling dus onder een staand order van de arts en is bedoeld voor
stellen van een diagnose (door de arts). De bloedafname is volgens bepaalde
standaarden zoals een procedure of verpleegplan. Alsook opvolgen van therapie
zoals toedienen van medicatie, genezingsproces en onder/overdosering kan worden
behaald door een bloedafname.
- Er is een zeer hoge frequentie van afname (bv. op spoed 53% van de mensen
krijgen daar een afname.)
- Er is een gevaar voor omwisselen van de stalen met foutieve interpretatie,
vertraagde diagnostiek en behandeling + nieuwe afname moet doen als
gevolg
- Veiligheid van de verpleegkundige komt deels in gedrang doordat patiënt
besmet of ziek kan zijn en vpk dicht bij pt komt.
1.1 voorbereiding bloedafname – pre-analytische fase
- Verzamelen van voorschrift, gegevens pt, bloedafname zelf, transport naar
labo
- Arts zorgt voor staand order, verpleegkundige zorgt voor afname en
transport naar labo
- Deze fase is 20% van de tijd van diagnostisch proces en zeker 85% vd fouten
zijn in deze fase ook te vinden bv. verkeerde pt klever.
- Werk preventief: afname fase en zorgen voor de administratie
1.2 aanvraagformulier
⟹ een formulier met alle soorten elementen die
kunnen worden onderzocht, degene die zijn gevraagd
door de arts worden aangekruist, aan de hand van de
elementen moeten dan de juiste kleuren van de tubes
worden uitgehaald.
- Duidelijke identificatie van de pt: klever op de
buis na de afname
- Ruimte voor de handtekening van de arts
- Duidelijke aanduiding van nodige
onderzoeken
- Duidelijke koppeling naar type van de tube
- Werken met een barcode om buis (tegen
fouten): bv. scannen van de tube, vpk zelf zodat
ze zien wie het deed + naam en handtekening
arts
- Juiste pt en vraag voor geboorte datum en
naam
1.3 definitie
1
, ⟹ verpleegkundige handeling waarbij men met een holle naald een vene gaat
aanprikken voor bloed af te tappen voor verder onderzoek.
1.3.1 samenstelling van bloed
- vol bloed: is de bloedcellen (erytrocyten 44% samen met
plasma 55% + leukocyten en trombocyten, wanneer bloed is
opgevangen en er is een anticoagulans zal er geen stolsel
komen.
- Plasma: wordt verkregen door ongestold bloed te
centrifugeren en het vormt dan een laag boven de bloedcellen,
het bevat dus serum en fibrinogeen
- Serum: nadat bloed is gestold komt er een gele vloeistof rond
de prop, dit is serum en bestaat vnl. uit water + bevat geen
stollingsfactoren. Dus plasma zonder fibrinogeen.
1.4 mogelijke problemen bij een bloedafname – bloedstaal gerelateerd
- Hemolyse: het kapot gaan van de rode bloedcellen tijdens de afname in de
tube. Het celmembraan gaat kapot tijdens afname of verwerking. Dus inhoud
van de rode bloedcellen komen vrij
o Gevolg: te hoog concentratie Kalium en magnesium (40x hoger) en is
niet relevant om te gebruiken voor onderzoeken zoals bv.
bloedtransfusie, coagulatietesten,…
o Voor pt? Levensbedreigende ziekte maskeren/ fout ondervinden →
foute therapie → langere opname → onnodig gebruik medicatie
o Oorzaken?
te hard mengen of trillen bij vervoer: vervoer in buizentransport
kan shocken geven en grote druk
te kleine dm naald: door te kleine gauche komt er turbulentie in de
tube
niet volledig vullen van de tube: zorgt voor overdosering van
anticoagulantia in de buis
te lang wachten met centrifugeren na afname: cellen komen te
veel in contact met plasma en serum, moet 2-4u na afname
te vroeg centrifugeren: er kan dan fibrine in serum bevinden
(wegwerken fibrine beschadigt cellen)
te weinig centrifugeren: niet alle bloedcellen kunnen uit serum of
plasma
te extreme temperatuur
te lang aangelegde stuwband: verhoogt druk in vene dus ook
stroomsnelheid in de tube
te snel optrekken van bloed: meestal met spuit- en naald, dus
meer turbulentie en schade en je zelf optreksnelheid bepaalt
moeilijke afname: bv. door aanzuigen aan vaatwand, te traag
inlopend bloed (occlusie)
afname via perifere/centrale katheter: door positieve druk
katheter kan klep dichtgaan door negatieve druk van afname
2