Psychologie, T1D
Hoofdstuk 6
Par. 1
Denken is ‘het cognitieve proces dat betrokken is bij het vormen van een nieuwe
mentale representaties door de beschikbare informatie te manipuleren’.
Concepten zijn mentale representaties (herinneringen) van een categorie van
items of ideeën, gebaseerd op ervaring (moeilijk meetbaar). Concepten zijn de
bouwstenen voor het denken.
Er zijn twee soorten concepten:
1. Natuurlijke concepten – beroep op mentaal prototype (meest logisch/typisch
voorbeeld)
deze concepten ontwikkelen zich vanuit ons dagelijkse leven. (bv. ‘vogel’ dan
denk jij aan je persoonlijke ervaring met vogels.)
(om te bedenken of een object wel of geen vogel is, vergelijk je jou ervaring
met het prototype)
2. Artificiële concepten
deze concepten worden geïdentificeerd door regels. (bv. de betekenis van
een woord of wiskundige formules.)
De niveaus van de concepten worden conceptuele hiërarchieën genoemd. Deze
niveaus gaan van zeer algemeen naar zeer specifiek. (dier -> vis -> zalm)
Schema’s zijn een verzameling van concepten. Hierbij heb je weer assimilatie
(aanvullen) en accommodatie (aanpassen). Schema’s zijn de basis voor
verwachtingen en gevolgtrekkingen.
Scripts zijn schema’s die bij een bepaalde gebeurtenis horen. Mensen
verwachten dat je op bepaalde manier handelt in een specifieke situatie. (denk
aan conflicten die kunnen ontstaan met andere culturen.)
Het vermogen om een oordeel te vormen zonder bewust na te denken heet
intuïtie.
HEINZ dilemma: geen goed of fout. Het heeft te maken met de vorm van denken.
Volgens Kohlberg is het hoe beter je nadenkt, hoe beter je kan redeneren.
Motief Kohlberg
Straf vermijden Pre-conventioneel
Eigenbelang Pre-conventioneel
Loyaliteit Conventioneel
Wetten respecteren Conventioneel
Mensenrechten Post-conventioneel
Universeel menselijke Post-conventioneel
ethiek
Morele ontwikkeling (Kohlberg’s theorie):
Pre-conventioneel (belonen en straf)
Fase 1: egocentrisch, gericht op genot/pijn
Fase 2: gericht op kosten/baten (als jij dat doet voor mij, doe ik dat voor
jou)
Conventioneel (braaf willen zijn)
Fase 3: gericht op goedkeuring door anderen
Fase 4: gericht op gezag
Post-conventioneel (mensenrechten)
Fase 5: gericht op de waarden van de gemeenschap
1
, Psychologie, T1D
Fase 6: gericht op ethische principes
2
Hoofdstuk 6
Par. 1
Denken is ‘het cognitieve proces dat betrokken is bij het vormen van een nieuwe
mentale representaties door de beschikbare informatie te manipuleren’.
Concepten zijn mentale representaties (herinneringen) van een categorie van
items of ideeën, gebaseerd op ervaring (moeilijk meetbaar). Concepten zijn de
bouwstenen voor het denken.
Er zijn twee soorten concepten:
1. Natuurlijke concepten – beroep op mentaal prototype (meest logisch/typisch
voorbeeld)
deze concepten ontwikkelen zich vanuit ons dagelijkse leven. (bv. ‘vogel’ dan
denk jij aan je persoonlijke ervaring met vogels.)
(om te bedenken of een object wel of geen vogel is, vergelijk je jou ervaring
met het prototype)
2. Artificiële concepten
deze concepten worden geïdentificeerd door regels. (bv. de betekenis van
een woord of wiskundige formules.)
De niveaus van de concepten worden conceptuele hiërarchieën genoemd. Deze
niveaus gaan van zeer algemeen naar zeer specifiek. (dier -> vis -> zalm)
Schema’s zijn een verzameling van concepten. Hierbij heb je weer assimilatie
(aanvullen) en accommodatie (aanpassen). Schema’s zijn de basis voor
verwachtingen en gevolgtrekkingen.
Scripts zijn schema’s die bij een bepaalde gebeurtenis horen. Mensen
verwachten dat je op bepaalde manier handelt in een specifieke situatie. (denk
aan conflicten die kunnen ontstaan met andere culturen.)
Het vermogen om een oordeel te vormen zonder bewust na te denken heet
intuïtie.
HEINZ dilemma: geen goed of fout. Het heeft te maken met de vorm van denken.
Volgens Kohlberg is het hoe beter je nadenkt, hoe beter je kan redeneren.
Motief Kohlberg
Straf vermijden Pre-conventioneel
Eigenbelang Pre-conventioneel
Loyaliteit Conventioneel
Wetten respecteren Conventioneel
Mensenrechten Post-conventioneel
Universeel menselijke Post-conventioneel
ethiek
Morele ontwikkeling (Kohlberg’s theorie):
Pre-conventioneel (belonen en straf)
Fase 1: egocentrisch, gericht op genot/pijn
Fase 2: gericht op kosten/baten (als jij dat doet voor mij, doe ik dat voor
jou)
Conventioneel (braaf willen zijn)
Fase 3: gericht op goedkeuring door anderen
Fase 4: gericht op gezag
Post-conventioneel (mensenrechten)
Fase 5: gericht op de waarden van de gemeenschap
1
, Psychologie, T1D
Fase 6: gericht op ethische principes
2