Wat moet in het vonnis worden opgenomen? (Oftewel: waarover moet de rechter beslissen?)
De kernartikelen over de opbouw van een (schriftelijk) vonnis zijn art 358 en 359. Art 358 wat wel en
wat niet in het vonnis moet worden opgenomen (inhoud van het vonnis). 359 welke beslissingen de
rechter moet motiveren in het vonnis.
Art 358 geeft niet aan dat art 348 moet worden opgenomen. De rechter hoeft in het vonnis niet op te
schijven dat de dagvaarding geldig is, hij bevoegd is, OM ontvankelijk is en er geen reden zijn om de
vervolging te schorsen. Moet wel worden meegenomen in de beraadslaging. De rechter moet
antwoord op de voorvragen opnemen als:
- Hij vind dat de dagvaarding nietig is, hij onbevoegd is, de OvJ niet-ontvankelijk is of de
vervolging moet worden geschorst.
- De rechter het niet eens is met een verweer dat de verdacht heeft gevoerd, dat volgens de
verdachte had moeten leiden tot een van de bovengenoemde gevolgen.
Voorvragen hoeven dus niet in het vonnis te worden beantwoord.
Art 358 lid 3 geeft aan op welke verweren van de verdachte de rechter in moet gaan indien hij ze
verwerpt. De rechter hoeft alleen in te gaan op verweren die hij niet honoreert. Als de rechter met
een verweer meegaat, valt hij terug op art 358. Hij neemt dan de beslissing waartoe dat verweer
aanleiding geeft. Twee tal opmerkingen:
- De verweren moeten door of namens de verdachte zijn gevoerd
- Het verweer moet uitdrukkelijk en ter terechtzitting als vereer zijn gepresenteerd; voor een
raadsman is het daarom verstandig om zijn pleitnota te overhandigen met het verzoek die
nota deel te doen uitmaken van het proces- verbaal.
Ook moeten er zoveel mogelijk voornamen, leeftijd, geboorteplaats, beroep en woon- of
verblijfplaats van de verdachte in 357 lid 1 Sv. Die vermelding is geen strikte eis. Ook met het de
namen van de rechters door wie het is gewezen bevatten en de dag van de uitspraak lid 2.
Uitzondering mogelijk.
Wat moet in het vonnis worden gemotiveerd?
Verweren
Artikel 358 lid 3 Sv vereist dat op een aantal van de uitdrukkelijk voorgedragen verweren moet
worden beslist. Denk bijvoorbeeld aan verweren waarin de toepassing van artikel 349 lid 1 Sv wordt
betoogd. Het centrale motiveringsvoorschrift vinden we in artikel 359 lid 2 Sv: de beslissingen
vermeld in artikel 349 lid 1 en artikel 358 lid 2 en 3 Sv zijn met redenen omkleed.
De rechter dient steeds meer te reageren op hetgeen procespartijen hebben aangedragen. De
motiveringseisen uit artikel 348 en 350 zijn steeds meer op elkaar gaan lijken. Toch zijn er nog
verschillen. Bij artikel 358 lid 3 Sv staat het motiveren in reactie op standpunten van procespartijen
centraal. Bij de bewezenverklaring en de strafoplegging moet gemotiveerd worden ondanks een
beroep op het zwijgrecht van de verdachte of wanneer hij een ontkennend standpunt niet
uitdrukkelijk heeft onderbouwd. Voor de strafoplegging staat de verplichting te reageren op
standpunten van partijen niet centraal. De motivering moet ambtshalve worden gedaan. Eveneens
vereist artikel 6 EVRM dat rechters hun beslissingen motiveren.
Een verweer kan door de rechter op twee manieren worden verworpen. Ten eerste kan hij feiten
onjuist achten, een feitelijke verwerping. Ten tweede kan hij aangeven dat hetgeen is gesteld geen
exceptie oplevert, een juridische verwerping. Vaak kom je de feitelijke en juridische verwerping in
De kernartikelen over de opbouw van een (schriftelijk) vonnis zijn art 358 en 359. Art 358 wat wel en
wat niet in het vonnis moet worden opgenomen (inhoud van het vonnis). 359 welke beslissingen de
rechter moet motiveren in het vonnis.
Art 358 geeft niet aan dat art 348 moet worden opgenomen. De rechter hoeft in het vonnis niet op te
schijven dat de dagvaarding geldig is, hij bevoegd is, OM ontvankelijk is en er geen reden zijn om de
vervolging te schorsen. Moet wel worden meegenomen in de beraadslaging. De rechter moet
antwoord op de voorvragen opnemen als:
- Hij vind dat de dagvaarding nietig is, hij onbevoegd is, de OvJ niet-ontvankelijk is of de
vervolging moet worden geschorst.
- De rechter het niet eens is met een verweer dat de verdacht heeft gevoerd, dat volgens de
verdachte had moeten leiden tot een van de bovengenoemde gevolgen.
Voorvragen hoeven dus niet in het vonnis te worden beantwoord.
Art 358 lid 3 geeft aan op welke verweren van de verdachte de rechter in moet gaan indien hij ze
verwerpt. De rechter hoeft alleen in te gaan op verweren die hij niet honoreert. Als de rechter met
een verweer meegaat, valt hij terug op art 358. Hij neemt dan de beslissing waartoe dat verweer
aanleiding geeft. Twee tal opmerkingen:
- De verweren moeten door of namens de verdachte zijn gevoerd
- Het verweer moet uitdrukkelijk en ter terechtzitting als vereer zijn gepresenteerd; voor een
raadsman is het daarom verstandig om zijn pleitnota te overhandigen met het verzoek die
nota deel te doen uitmaken van het proces- verbaal.
Ook moeten er zoveel mogelijk voornamen, leeftijd, geboorteplaats, beroep en woon- of
verblijfplaats van de verdachte in 357 lid 1 Sv. Die vermelding is geen strikte eis. Ook met het de
namen van de rechters door wie het is gewezen bevatten en de dag van de uitspraak lid 2.
Uitzondering mogelijk.
Wat moet in het vonnis worden gemotiveerd?
Verweren
Artikel 358 lid 3 Sv vereist dat op een aantal van de uitdrukkelijk voorgedragen verweren moet
worden beslist. Denk bijvoorbeeld aan verweren waarin de toepassing van artikel 349 lid 1 Sv wordt
betoogd. Het centrale motiveringsvoorschrift vinden we in artikel 359 lid 2 Sv: de beslissingen
vermeld in artikel 349 lid 1 en artikel 358 lid 2 en 3 Sv zijn met redenen omkleed.
De rechter dient steeds meer te reageren op hetgeen procespartijen hebben aangedragen. De
motiveringseisen uit artikel 348 en 350 zijn steeds meer op elkaar gaan lijken. Toch zijn er nog
verschillen. Bij artikel 358 lid 3 Sv staat het motiveren in reactie op standpunten van procespartijen
centraal. Bij de bewezenverklaring en de strafoplegging moet gemotiveerd worden ondanks een
beroep op het zwijgrecht van de verdachte of wanneer hij een ontkennend standpunt niet
uitdrukkelijk heeft onderbouwd. Voor de strafoplegging staat de verplichting te reageren op
standpunten van partijen niet centraal. De motivering moet ambtshalve worden gedaan. Eveneens
vereist artikel 6 EVRM dat rechters hun beslissingen motiveren.
Een verweer kan door de rechter op twee manieren worden verworpen. Ten eerste kan hij feiten
onjuist achten, een feitelijke verwerping. Ten tweede kan hij aangeven dat hetgeen is gesteld geen
exceptie oplevert, een juridische verwerping. Vaak kom je de feitelijke en juridische verwerping in