Hoofdstuk 2: verlichting en revolutie 1780-1814
§2.1: de Republiek in de 18e eeuw
De Republiek:
● statenbond (=zelfstandige gewesten en steden met eigen regels)
● alleen samenwerking in de Staten-Generaal op gebied van:
○ oorlog
○ buitenlandse politiek
● generaliteitslanden
○ zijn landen in het zuiden van de Republiek, m.n. Brabant, Limburg en
Zeeuws-Vlaanderen:
■ die (in de tijd van de opstand en 80-jarige oorlog) waren veroverd door
Spanje.
■ die geen zelfstandige bestuur hadden, maar bestuurd werden door de
Staten-Generaal (& generaliteitslanden?)
● Vrij uniek, omdat
○ Regenten (dus niet adel) aan de macht, nadrukkelijk géén democratie
■ Regenten waren rijke kooplieden, soms adel
■ geen adel was met veel macht, maar er waren wel edelen met macht
■ Vooral gewone mensen, regenten; burgers die toevallig heel rijk
waren
● had wel kenmerken van een democratie, maar het was absoluut geen democratie
● stadhouder (erfelijke titel) had het recht om in sommige steden regenten te
benoemen
○ Vanaf 1766 Willem V van Oranje-Nassau.
■ stadhouder was in de eerste fase legerleider van de Republiek
■ Willem V een van de twee belangrijkste stadhouders -> namelijk die
van Holland, maar was vooral de legeraanvoerder v/d Republiek
● Standenmaatschappij
○ Adel
■ Noordwesten: relatief weinig politieke macht, veel status
■ Zuidoosten: meer politieke macht, veel status
○ Burgers
■ Regenten veel politieke macht
○ Boeren
■ Westen: relatief veel onafhankelijke, gespecialiseerde boeren
■ Oosten: relatief veel afhankelijke, zelfvoorzienende boeren
○ Geestelijkheid
■ Is er wel in de Republiek, maar die heeft geen macht (zoals in andere
landen)
■ Er is geen kerk die in het algemeen veel macht heeft
● Ongelijkheid
○ juridisch, religieus, (wel vrijheid van geweten), seksen;
■ voor de een golden andere wetten dan voor de andere groep
■ katholieken werden natuurlijk benadeeld t.o.v. de protestanten.
Katholieken mochten wel hun macht belijden, maar niet in het
openbaar
, §2.2: economische crisis
Economische situatie
Eind 18e eeuw breekt er eigenlijk een economische crisis uit, maar überhaupt is al in de 18e
eeuw een economische situatie heel anders dan in de Gouden Eeuw en 17e eeuw.
● (Eigenlijk) ingehaald door Engeland en Frankrijk
● Aandeel wereldhandel wordt steeds kleiner (die was eerst altijd heel groot)
○ niet in absolute aantallen, maar relatief
● Rijkdom blijft, maar vooral “gewone” mensen armer
○ die rijkdom gaat dus heel erg opgepropt zitten bij de elite; regenten elites(?)
Oorzaken:
● kooplieden worden bankiers
○ gaan geld investeren i.p.v. risico gaan lopen met handeldrijven
● opkomst (gecentraliseerde) landen Engeland en Frankrijk
○ efficiënter om te kunnen optreden in economische zaken
● hoge belastingen Holland door schulden;
○ schulden door oorlogen (dure oorlogen van in de 17e eeuw)
● Particularisme
○ traditioneel weinig overheidssturing is
○ heel weinig wetten en regels, waar eigenlijk iedereen zich aan moet houden -
> leidt er ook toe dat mensen eigenlijk alles wat ze willen doen op
economisch gebied ook kunnen doen
● steeds meer kritiek op regentenfamilies
○ arme mensen, omdat ze arm zijn
○ mensen die net onder hen zitten; mensen met wel een opleiding en een
redelijk mate van welvaart hebben, maar geen politieke macht
§2.3: een opruiend geschrift
Vierde Engelse Zeeoorlog (1780-1784)
Republiek krijgt er ongenadig van langs:
● de Engelsen die vernietigen een groot deel van de oorlogsvloten van de Republiek
● ook een groot deel van de handelsvloten worden in beslag genomen
○ De schepen die er nog wel zijn die kunnen de haven niet verlaten, waardoor
een heleboel mensen (die normaal schepen uitladen) geen werk meer
hebben.
● Johan Derk van der Capellen tot den Pol schrijft in deze tijd (1781) een heel beroemd
geworden schrift aan het volk van Nederland waarin die hele forse kritiek uit op de
stadhouder en regenten;
○ kritiek op stadhouder (en regenten)
○ oproep tot bewapening
○ oproep tot “verlichte waarden”. Verlichting was een grote bron van inspiratie
§2.1: de Republiek in de 18e eeuw
De Republiek:
● statenbond (=zelfstandige gewesten en steden met eigen regels)
● alleen samenwerking in de Staten-Generaal op gebied van:
○ oorlog
○ buitenlandse politiek
● generaliteitslanden
○ zijn landen in het zuiden van de Republiek, m.n. Brabant, Limburg en
Zeeuws-Vlaanderen:
■ die (in de tijd van de opstand en 80-jarige oorlog) waren veroverd door
Spanje.
■ die geen zelfstandige bestuur hadden, maar bestuurd werden door de
Staten-Generaal (& generaliteitslanden?)
● Vrij uniek, omdat
○ Regenten (dus niet adel) aan de macht, nadrukkelijk géén democratie
■ Regenten waren rijke kooplieden, soms adel
■ geen adel was met veel macht, maar er waren wel edelen met macht
■ Vooral gewone mensen, regenten; burgers die toevallig heel rijk
waren
● had wel kenmerken van een democratie, maar het was absoluut geen democratie
● stadhouder (erfelijke titel) had het recht om in sommige steden regenten te
benoemen
○ Vanaf 1766 Willem V van Oranje-Nassau.
■ stadhouder was in de eerste fase legerleider van de Republiek
■ Willem V een van de twee belangrijkste stadhouders -> namelijk die
van Holland, maar was vooral de legeraanvoerder v/d Republiek
● Standenmaatschappij
○ Adel
■ Noordwesten: relatief weinig politieke macht, veel status
■ Zuidoosten: meer politieke macht, veel status
○ Burgers
■ Regenten veel politieke macht
○ Boeren
■ Westen: relatief veel onafhankelijke, gespecialiseerde boeren
■ Oosten: relatief veel afhankelijke, zelfvoorzienende boeren
○ Geestelijkheid
■ Is er wel in de Republiek, maar die heeft geen macht (zoals in andere
landen)
■ Er is geen kerk die in het algemeen veel macht heeft
● Ongelijkheid
○ juridisch, religieus, (wel vrijheid van geweten), seksen;
■ voor de een golden andere wetten dan voor de andere groep
■ katholieken werden natuurlijk benadeeld t.o.v. de protestanten.
Katholieken mochten wel hun macht belijden, maar niet in het
openbaar
, §2.2: economische crisis
Economische situatie
Eind 18e eeuw breekt er eigenlijk een economische crisis uit, maar überhaupt is al in de 18e
eeuw een economische situatie heel anders dan in de Gouden Eeuw en 17e eeuw.
● (Eigenlijk) ingehaald door Engeland en Frankrijk
● Aandeel wereldhandel wordt steeds kleiner (die was eerst altijd heel groot)
○ niet in absolute aantallen, maar relatief
● Rijkdom blijft, maar vooral “gewone” mensen armer
○ die rijkdom gaat dus heel erg opgepropt zitten bij de elite; regenten elites(?)
Oorzaken:
● kooplieden worden bankiers
○ gaan geld investeren i.p.v. risico gaan lopen met handeldrijven
● opkomst (gecentraliseerde) landen Engeland en Frankrijk
○ efficiënter om te kunnen optreden in economische zaken
● hoge belastingen Holland door schulden;
○ schulden door oorlogen (dure oorlogen van in de 17e eeuw)
● Particularisme
○ traditioneel weinig overheidssturing is
○ heel weinig wetten en regels, waar eigenlijk iedereen zich aan moet houden -
> leidt er ook toe dat mensen eigenlijk alles wat ze willen doen op
economisch gebied ook kunnen doen
● steeds meer kritiek op regentenfamilies
○ arme mensen, omdat ze arm zijn
○ mensen die net onder hen zitten; mensen met wel een opleiding en een
redelijk mate van welvaart hebben, maar geen politieke macht
§2.3: een opruiend geschrift
Vierde Engelse Zeeoorlog (1780-1784)
Republiek krijgt er ongenadig van langs:
● de Engelsen die vernietigen een groot deel van de oorlogsvloten van de Republiek
● ook een groot deel van de handelsvloten worden in beslag genomen
○ De schepen die er nog wel zijn die kunnen de haven niet verlaten, waardoor
een heleboel mensen (die normaal schepen uitladen) geen werk meer
hebben.
● Johan Derk van der Capellen tot den Pol schrijft in deze tijd (1781) een heel beroemd
geworden schrift aan het volk van Nederland waarin die hele forse kritiek uit op de
stadhouder en regenten;
○ kritiek op stadhouder (en regenten)
○ oproep tot bewapening
○ oproep tot “verlichte waarden”. Verlichting was een grote bron van inspiratie