Samenvatting week 3
Doelstellingen week 3:
Zelfstudie 7 (interactief college fysiologie)
De kerntemperatuur van het lichaam is de temperatuur die wordt gemeten door de receptoren in de
hypothalamus. Waar de belangrijkste thermoreceptoren zitten in het lichaam hangt af over welke
temperatuur je het hebt:
- Kerntemperatuur: de thermoreceptoren in de hypothalamus in het pre-optische gebied
- Schiltemperatuur: de thermoreceptoren in het ruggenmerg en in thoracaal weefsel
- Omgevingstemperatuur: de thermoreceptoren in de huid.
De informatie van het setpoint bevindt zich hier dus in het pre-optische gebied in de hypothalamus.
De volgende factoren kunnen het setpoint beïnvloeden:
- Leeftijd
- Circadiaans ritme (dag/nacht)
- Menstruatie cyclus
- Alcohol & drugs
- Ziekte
De vier effectoren waardoor het lichaam warmte kan afgeven zijn:
- Straling (radiatie)
- Conductie
- Convectie
- Verdamping
De belangrijkste van deze effectoren is straling. 60% van warmte afgifte gaat via deze weg. Daarnaast
is verdamping het belangrijkste (die belangrijker wordt tijdens sporten), met zo’n 22%. Van deze 4 is
alleen verdamping een actief mechanisme (kost energie).
De effectoren van warmtebehoud zijn:
- Vasoconstrictie
- Trillen
- Gedrag (warme kleding aandoen)
- Thermogenese
- Kippenvel (piloerectie)
, De meest belangrijke hiervan is de vasoconstrictie van de vaten in de huid (stimulatie van
sympathicus centra hypothalamus). Gedrag is in dit rijtje niet van fysiologisch belang maar kan wel
van grote bijdrage zijn.
Naast het behouden van de lichaamswarmte kan het lichaam ook warmte produceren. Dit kan op
heel kort termijn door de stofwisseling te verhogen of door te gaan rillen (activiteit motorneuronen).
Voor lange termijn kan ook de thyroxine productie omhoog gaan. Natuurlijk kan je je ook inspannen
om warmte te creëren of de omgeving veranderen (kachel aanzetten).
De effectoren van het regelschema van thermoregulatie zijn:
- Huidvaten
- Zweetklieren
- Skeletspieren
- Stofwisseling
De hypothalamus is zelf dus geen effector maar is de comparator.
Schildklier
Van de schildklierhormonen is T3 biologisch actiever dan T4. Echter wordt T4 veel meer afgegeven
aan het bloed. Maar T4 kan weer gedejodeerd worden in de doelcellen van de hormonen (jodide van
molecuul afgehaald). Beide hormonen koppelen met receptoren van de kern van de cel of met de
mitochondriën. Het heeft dus een langer termijn effect en kan niet snel reacties ter weeg brengen.
Thyreoglobuline is het voorproduct van deze schildklierhormonen. Hier moet nog jodide aan
gekoppeld worden. Geeft genexpressie voor metabole enzymen.
Het effect van de schildklier hormonen is op de metabolisme (versneld/vertraagd de stofwisseling). Is
belangrijk voor de geestelijke ontwikkeling en groei van kinderen.
TRH en TSH zijn nodig voor de afgifte van het schildklierhormoon. TRH wordt geproduceerd in de
hypothalamus. In voorste kwab hypofyse wordt er TSH afscheiden en die gaat naar schildklier. Heeft
daarna negatief terugkoppeling van vrijkomen van T3 en T4.
Door een te kort aan jodium in het lichaam wordt de schildklier overgestimuleerd door TSH en wordt
hij daardoor dikker (wilt meer werk leveren en wordt dus dikker om aanvraag bij te kunnen houden).
Doelstellingen week 3:
Zelfstudie 7 (interactief college fysiologie)
De kerntemperatuur van het lichaam is de temperatuur die wordt gemeten door de receptoren in de
hypothalamus. Waar de belangrijkste thermoreceptoren zitten in het lichaam hangt af over welke
temperatuur je het hebt:
- Kerntemperatuur: de thermoreceptoren in de hypothalamus in het pre-optische gebied
- Schiltemperatuur: de thermoreceptoren in het ruggenmerg en in thoracaal weefsel
- Omgevingstemperatuur: de thermoreceptoren in de huid.
De informatie van het setpoint bevindt zich hier dus in het pre-optische gebied in de hypothalamus.
De volgende factoren kunnen het setpoint beïnvloeden:
- Leeftijd
- Circadiaans ritme (dag/nacht)
- Menstruatie cyclus
- Alcohol & drugs
- Ziekte
De vier effectoren waardoor het lichaam warmte kan afgeven zijn:
- Straling (radiatie)
- Conductie
- Convectie
- Verdamping
De belangrijkste van deze effectoren is straling. 60% van warmte afgifte gaat via deze weg. Daarnaast
is verdamping het belangrijkste (die belangrijker wordt tijdens sporten), met zo’n 22%. Van deze 4 is
alleen verdamping een actief mechanisme (kost energie).
De effectoren van warmtebehoud zijn:
- Vasoconstrictie
- Trillen
- Gedrag (warme kleding aandoen)
- Thermogenese
- Kippenvel (piloerectie)
, De meest belangrijke hiervan is de vasoconstrictie van de vaten in de huid (stimulatie van
sympathicus centra hypothalamus). Gedrag is in dit rijtje niet van fysiologisch belang maar kan wel
van grote bijdrage zijn.
Naast het behouden van de lichaamswarmte kan het lichaam ook warmte produceren. Dit kan op
heel kort termijn door de stofwisseling te verhogen of door te gaan rillen (activiteit motorneuronen).
Voor lange termijn kan ook de thyroxine productie omhoog gaan. Natuurlijk kan je je ook inspannen
om warmte te creëren of de omgeving veranderen (kachel aanzetten).
De effectoren van het regelschema van thermoregulatie zijn:
- Huidvaten
- Zweetklieren
- Skeletspieren
- Stofwisseling
De hypothalamus is zelf dus geen effector maar is de comparator.
Schildklier
Van de schildklierhormonen is T3 biologisch actiever dan T4. Echter wordt T4 veel meer afgegeven
aan het bloed. Maar T4 kan weer gedejodeerd worden in de doelcellen van de hormonen (jodide van
molecuul afgehaald). Beide hormonen koppelen met receptoren van de kern van de cel of met de
mitochondriën. Het heeft dus een langer termijn effect en kan niet snel reacties ter weeg brengen.
Thyreoglobuline is het voorproduct van deze schildklierhormonen. Hier moet nog jodide aan
gekoppeld worden. Geeft genexpressie voor metabole enzymen.
Het effect van de schildklier hormonen is op de metabolisme (versneld/vertraagd de stofwisseling). Is
belangrijk voor de geestelijke ontwikkeling en groei van kinderen.
TRH en TSH zijn nodig voor de afgifte van het schildklierhormoon. TRH wordt geproduceerd in de
hypothalamus. In voorste kwab hypofyse wordt er TSH afscheiden en die gaat naar schildklier. Heeft
daarna negatief terugkoppeling van vrijkomen van T3 en T4.
Door een te kort aan jodium in het lichaam wordt de schildklier overgestimuleerd door TSH en wordt
hij daardoor dikker (wilt meer werk leveren en wordt dus dikker om aanvraag bij te kunnen houden).