SAMENVATTING ECOLOGISCH
GROENBEHEER IN DE PRAKTIJK
1
,Inhoudsopgave
Hoofdstuk 3 – De bodem als basis......................................................................................................3
Hoofdstuk 6 – Basisprincipes flora......................................................................................................6
Hoofdstuk 9 – Het streven naar variatie.............................................................................................9
Hoofdstuk 10 – Principes bij inrichting.............................................................................................11
Hoofdstuk 11 – Uitgangspunten bij het beheer................................................................................12
Hoofdstuk 12 – Pionierbegroeiingen................................................................................................13
Hoofdstuk 13 – Graslandbegroeiingen.............................................................................................15
Hoofdstuk 14 – Begroeiingen van ruigtekruiden..............................................................................20
Hoofdstuk 15 – Bossen en struwelen...............................................................................................23
Hoofdstuk 16 – Water- en verlandingsbegroeiingen........................................................................28
Hoofdstuk 19 – Faunavriendelijk beheer, algemene uitgangspunten..............................................34
Hoofdstuk 20 – Insecten...................................................................................................................35
Hoofdstuk 21 – Amfibieën en reptielen............................................................................................37
Hoofdstuk 22 – Vogels......................................................................................................................40
Hoofdstuk 23 – Zoogdieren..............................................................................................................42
2
, Hoofdstuk 3 – De bodem als basis
3.1
In het ecologisch groenbeheer wordt de begroeiing voor een groot deel bepaald door de
mogelijkheden die de plek biedt.
Aan de bodem kun je zien welk soort begroeiing en welke plantensoorten je ongeveer kunt
verwachten.
Drie groepen bodems:
1. Kleigronden
2. Zandgronden
3. Veengronden
Kleigronden
- Ontstaan door afzetting van bodemmateriaal door water.
- Kleinste kleideeltjes: lutum
- Klei bevat minder dan 25% lutum: zavelgrond
- Klei bevat meer dan 25% lutum: echte kleigrond
- De zwaarste klei ontstaat op de plaatsen waar het water volledig tot stilstand kwam.
Zandgronden
- Voor het grootste deel afgezet door de wind (dekzand en stuifzand), al vind je langs rivieren
en aan zee ook zandgronden door water afgezet.
- Open plekken: grofste zand; beschutte plekken: fijnere deeltjes.
- Bestaat de grond voor het grootste gedeelte uit zeer fijne gronddeeltjes: leemgronden.
Veengronden
- Bestaan voor het grootste deel uit organisch materiaal
- Ontstaan door ophoping van onverteerd plantaardig materiaal.
3.2
De eigenschappen van een bodem worden bepaald door een combinatie van verschillende
bodemfactoren:
1. Voedselrijkdom
2. Vochthuishouding
3. Zuurgraad
4. Bodemleven
Wanneer de voedselrijkdom toeneemt, wordt de dynamiek hoger.
3
, Op zeer voedselrijke gronden: een klein aantal soorten.
De voedselrijkdom is de mate waarin voedingsstoffen vrij opneembaar zijn voor de planten.
Afhankelijk van:
- Hoeveelheid voedingsstoffen in de bodem
- Beschikbaarheid van voedingsstoffen
Factoren die hoeveelheid voedingsstoffen in bodem bepalen:
- Hoeveelheid organische stof
- Bemesting
Organische stof: al het dode materiaal in de bodem dat van organische oorsprong is.
Vormen OS:
- Onverteerde plantenresten
- Humus
Humus is dat deel van de OS dat zover is omgezet, dat er geen planten- of dierenresten meer zijn te
herkennen.
Mineralisatie: humus wordt afgebroken, waarbij voedingsstoffen vrijkomen voor de planten.
Veengronden bestaan voor het grootste gedeelte uit organische stof.
Wanneer er meer voedingsstoffen worden opgebracht dan de grond kan vasthouden, spoelt het
teveel door de regen uit naar het grondwater. verspilling voedingsstoffen, vervuiling grondwater.
Zandgronden meest gevoelig voor uitspoeling.
Door uitspoeling naar het grond- en oppervlaktewater kunnen meststoffen in andere gebieden
terechtkomen.
Factoren die beschikbaarheid voedingsstoffen bepalen:
- Binding voedingsstoffen in de grond
- Hoeveelheid zuurstof in de bodem
- Vochtgehalte
- Zuurgraad
Zeer fijne kleideeltjes (lutum) en humus zijn in staat voedingsstoffen te binden. Gronden met veel
lutum/humus zijn dus vrij voedselrijk.
Zandgronden zijn van nature voedselarm, omdat ze een laag percentage lutum hebben.
Voor de omzetting van OS in voor de plant opneembare voedingsstoffen is zuurstof nodig.
Hoeveelheid zuurstof in bodem hangt af van:
- Dichtheid grond (in erg dichte gronden weinig ruimte voor lucht)
4
GROENBEHEER IN DE PRAKTIJK
1
,Inhoudsopgave
Hoofdstuk 3 – De bodem als basis......................................................................................................3
Hoofdstuk 6 – Basisprincipes flora......................................................................................................6
Hoofdstuk 9 – Het streven naar variatie.............................................................................................9
Hoofdstuk 10 – Principes bij inrichting.............................................................................................11
Hoofdstuk 11 – Uitgangspunten bij het beheer................................................................................12
Hoofdstuk 12 – Pionierbegroeiingen................................................................................................13
Hoofdstuk 13 – Graslandbegroeiingen.............................................................................................15
Hoofdstuk 14 – Begroeiingen van ruigtekruiden..............................................................................20
Hoofdstuk 15 – Bossen en struwelen...............................................................................................23
Hoofdstuk 16 – Water- en verlandingsbegroeiingen........................................................................28
Hoofdstuk 19 – Faunavriendelijk beheer, algemene uitgangspunten..............................................34
Hoofdstuk 20 – Insecten...................................................................................................................35
Hoofdstuk 21 – Amfibieën en reptielen............................................................................................37
Hoofdstuk 22 – Vogels......................................................................................................................40
Hoofdstuk 23 – Zoogdieren..............................................................................................................42
2
, Hoofdstuk 3 – De bodem als basis
3.1
In het ecologisch groenbeheer wordt de begroeiing voor een groot deel bepaald door de
mogelijkheden die de plek biedt.
Aan de bodem kun je zien welk soort begroeiing en welke plantensoorten je ongeveer kunt
verwachten.
Drie groepen bodems:
1. Kleigronden
2. Zandgronden
3. Veengronden
Kleigronden
- Ontstaan door afzetting van bodemmateriaal door water.
- Kleinste kleideeltjes: lutum
- Klei bevat minder dan 25% lutum: zavelgrond
- Klei bevat meer dan 25% lutum: echte kleigrond
- De zwaarste klei ontstaat op de plaatsen waar het water volledig tot stilstand kwam.
Zandgronden
- Voor het grootste deel afgezet door de wind (dekzand en stuifzand), al vind je langs rivieren
en aan zee ook zandgronden door water afgezet.
- Open plekken: grofste zand; beschutte plekken: fijnere deeltjes.
- Bestaat de grond voor het grootste gedeelte uit zeer fijne gronddeeltjes: leemgronden.
Veengronden
- Bestaan voor het grootste deel uit organisch materiaal
- Ontstaan door ophoping van onverteerd plantaardig materiaal.
3.2
De eigenschappen van een bodem worden bepaald door een combinatie van verschillende
bodemfactoren:
1. Voedselrijkdom
2. Vochthuishouding
3. Zuurgraad
4. Bodemleven
Wanneer de voedselrijkdom toeneemt, wordt de dynamiek hoger.
3
, Op zeer voedselrijke gronden: een klein aantal soorten.
De voedselrijkdom is de mate waarin voedingsstoffen vrij opneembaar zijn voor de planten.
Afhankelijk van:
- Hoeveelheid voedingsstoffen in de bodem
- Beschikbaarheid van voedingsstoffen
Factoren die hoeveelheid voedingsstoffen in bodem bepalen:
- Hoeveelheid organische stof
- Bemesting
Organische stof: al het dode materiaal in de bodem dat van organische oorsprong is.
Vormen OS:
- Onverteerde plantenresten
- Humus
Humus is dat deel van de OS dat zover is omgezet, dat er geen planten- of dierenresten meer zijn te
herkennen.
Mineralisatie: humus wordt afgebroken, waarbij voedingsstoffen vrijkomen voor de planten.
Veengronden bestaan voor het grootste gedeelte uit organische stof.
Wanneer er meer voedingsstoffen worden opgebracht dan de grond kan vasthouden, spoelt het
teveel door de regen uit naar het grondwater. verspilling voedingsstoffen, vervuiling grondwater.
Zandgronden meest gevoelig voor uitspoeling.
Door uitspoeling naar het grond- en oppervlaktewater kunnen meststoffen in andere gebieden
terechtkomen.
Factoren die beschikbaarheid voedingsstoffen bepalen:
- Binding voedingsstoffen in de grond
- Hoeveelheid zuurstof in de bodem
- Vochtgehalte
- Zuurgraad
Zeer fijne kleideeltjes (lutum) en humus zijn in staat voedingsstoffen te binden. Gronden met veel
lutum/humus zijn dus vrij voedselrijk.
Zandgronden zijn van nature voedselarm, omdat ze een laag percentage lutum hebben.
Voor de omzetting van OS in voor de plant opneembare voedingsstoffen is zuurstof nodig.
Hoeveelheid zuurstof in bodem hangt af van:
- Dichtheid grond (in erg dichte gronden weinig ruimte voor lucht)
4