Maandag 2 september 2019 – Biochemie les 1
() 0615279742 voor vragen mailen naar docent
H1 & 2 tot 2.5
Studiemateriaal = dictaat boekje en quizzen van Socrative
Inloggegevens staan in pp.
Colleges worden opgenomen, op de Inholland /Weblogin computers op de E-schijf kan je dit
terugvinden. Mapje Opleiding mondhygiëne
Biochemie hoofdstuk 1
Bio = leer van het leven en het bestuderen
Chemie = leer van elementen en de verbindingen
Biochemie = verschijnselen in levende organismen kunnen worden worden verklaard door
scheikunde processen
Bijv: spijsvertering, tandcariës
Organisme = eenheid van leven
- Opgebouwd uit levenloze moleculen
Leven = hoge mate van ordening
- Zelf in stand houden van die ordening + uitbreiding door groei en voortplanting, dit
door middel van stofwisseling (metabolisme)
Doodgaan: metabolisme is ontregeld en loopt vast
- Komt door ziekte/vergiftiging
- Tekort aan bouwstenen of energie
Prokaryotische cellen: eencellige organismen, alle functies in een cel
- Erfelijke informatie RNA/DNA los in de cel
Eukaryotische cellen: aparte ruimtes die omringt zijn door een membraam
waarin verschillende reacties kunnen plaatsvinden door omstandigheden.
- Eu staat voor = echt
- Karyon = kern
Molecuul is opgebouwd uit atomen (100 verschillende atomen)
Protonen = atoomnummer
Protonen = + positief
Neutronen = geen lading
Elektronen = - negatief
1
,Belangrijke zijn:
H = waterstof
O = zuurstof
C = koolstof
N = stifkstof -> vormen 95% van het celgewicht
Mineralen:
→ Na, K, Ca, Mg, Cl-
(Chloor is als enige negatief geladen)
Bouwstenen en biopolymeren
Soorten biomoleculen:
Eiwitten:
- Opgebouwd uit aminozuren,
- Bouwstenen organisme
- Regelen chemische reacties in het lichaam
Koolhydraten (suikers/ polysachariden)
- Opgebouwd uit monosacheriden
- Energiebron
Lipiden/ vetten
- Opgebouwd uit vetzuren en glycerol
- Bouwstenen van membranen
- Reservestof
Nucleïnezuren (DNA/ RNA)
- Opgebouwd uit mono nucleotiden
- Opslag erfelijke informatie
Biomolecuul = molecuul dat van nature voorkomt in een organisme en gevormd kan worden
door organismen.
Polymeren = opgebouwd uit keten van bouwstenen met bijna dezelfde structuur
Organellen: (alleen bij eukaryotische cellen)
Celkern = opslag van DNA in de vorm van
chromosomen
Mitochondrien = energiecentrale
Lysosomen = afbraak van stoffen/ opslag van
afvalstoffen
Endoplasmatisch reticulum: transport en bewerking
van secretie-eiwitten/ betrokken bij
stofwisselingsprocessen
Secretie= afscheiding/afgifte
2
,Oorzaak verschil tussen cellen:
Nageslacht lijkt op ouders -> want er wordt DNA (erfelijke informatie) doorgegeven
Erfelijke informatie ligt opgeslagen in het DNA
- Alle cellen hebben hetzelfde DNA toch grote verschillen tussen cellen mogelijk
- Elke cel maakt andere eiwitten -> informatie voor eiwitten ligt in DNA
- Elke cel gebruikt verschillende stukjes DNA
Translatie = vertalen van een genetische code op het DNA naar een werkzaam eiwit
Transcriptie = een kopie van een genetische code maken
Genotype = genetische code op het DNA
Fenotype =
RNA=
Water:
H20 is het belangrijkste bestanddeel van levende organismen
- Heeft extreem hoog vriespunt en kookpunt
- Dit komt door polair karakter -> vorming waterstofbruggen
- Uitstekend oplosmiddel voor polaire bindingen en zouten
Waterstofbrug: niet covalente binding tussen moleculen waarbij de postieve lading van het H
wordt aangetrokken door de negatieve lading van een ander molecuul bijv. O
Functies water:
- Oplosmiddel voor meeste eiwitten en ionen
- Chemische reacties kunnen zich in water afspelen
- Betrokken bij chemische reacties
- Transportmiddel
- Temperatuurregulatie
Chemische reacties water:
Hydrolyse: splitsing polymeer waarbij H20 wordt gebruikt
Condensatie: vorming polymeer waarbij H20 wordt gesplist
Verbranding: reactie van stof met zuurstof waarbij H20 en CO2 ontstaat
C6H12O6 + 6 O → 6 CO2 +6 H2O + energie
Metabolisch water = water dat ontstaat als gevolg van stofwisselingsprocessen (dus wat na
de pijl ontstaat)
CONDENSATIE REACTIE
HYDROLYSE REACTIE
3
, Biochemie hoofdstuk 2
Eiwitten of stoffen die door eiwitten zijn gemaakt, zijn betrokken bij alle chemische processen
in ons lichaam
Structurele eiwitten = vormen van structurele bestanddelen van de cel (bouwstof)
Functionele eiwitten = specifieke fysiologische functie
Functies:
- Regulatie metabolisme (stofwisseling) → chemische reacties katalyseren, hormonen
- Voeding →voedingsbron voor embryo’s en baby’s
- Transport → draagstof
- Bescherming → antilichamen, bloedstolling (fibrinogeen)
- Spiercorrectie → handhaving lichaamsstructuren
- Handhaving osmotische druk en pH
Eiwitten zijn opgebouwd uit aminozuren
- 20 verschillende aminozuren
- Afgekort met drie letters
- Bevat twee functionele groepen + restgroep → Aminogroep (NH2) is basisch en kan
H+ opnemen, Carbonzuurgroep (COOH) is zuur en kan H+ afstaan
- Afhankelijk van pH is het positief of negatief geladen
Eiwitten hebben een iso-elektrisch punt
pH < dan pl → positieve lading aminozuur
pH > dan pl → negatieve lading aminozuur
Restgroep (R)
- Apolaire aminozuren = niet-polaire restgroep (kenmerk CH2, CH3)
- Polaire aminozuren = niet geioniseerde, wel polaire groep (kenmerk H, OH, SH,
NH2,O)
- Zure aminozuren = tweede carbonzuur is restgroep (kenmerk COO-)
- Basische aminozuren = basische groep is restgroep (kenmerk H+)
Peptide = keten van aminozuren
- Gevormd door carbonzuur + aminogroep
- Hydrolyse peptide = verbruikt water
Lange peptide keten
- NH3+ als uiteinde : links
- COO- als uiteinde : rechts
Peptidebinding
- Covalente binding (zeer stabiel)
- Verbreken peptidebinding door: verhitting(hydrolyse) en proteolytische enzymen
4
() 0615279742 voor vragen mailen naar docent
H1 & 2 tot 2.5
Studiemateriaal = dictaat boekje en quizzen van Socrative
Inloggegevens staan in pp.
Colleges worden opgenomen, op de Inholland /Weblogin computers op de E-schijf kan je dit
terugvinden. Mapje Opleiding mondhygiëne
Biochemie hoofdstuk 1
Bio = leer van het leven en het bestuderen
Chemie = leer van elementen en de verbindingen
Biochemie = verschijnselen in levende organismen kunnen worden worden verklaard door
scheikunde processen
Bijv: spijsvertering, tandcariës
Organisme = eenheid van leven
- Opgebouwd uit levenloze moleculen
Leven = hoge mate van ordening
- Zelf in stand houden van die ordening + uitbreiding door groei en voortplanting, dit
door middel van stofwisseling (metabolisme)
Doodgaan: metabolisme is ontregeld en loopt vast
- Komt door ziekte/vergiftiging
- Tekort aan bouwstenen of energie
Prokaryotische cellen: eencellige organismen, alle functies in een cel
- Erfelijke informatie RNA/DNA los in de cel
Eukaryotische cellen: aparte ruimtes die omringt zijn door een membraam
waarin verschillende reacties kunnen plaatsvinden door omstandigheden.
- Eu staat voor = echt
- Karyon = kern
Molecuul is opgebouwd uit atomen (100 verschillende atomen)
Protonen = atoomnummer
Protonen = + positief
Neutronen = geen lading
Elektronen = - negatief
1
,Belangrijke zijn:
H = waterstof
O = zuurstof
C = koolstof
N = stifkstof -> vormen 95% van het celgewicht
Mineralen:
→ Na, K, Ca, Mg, Cl-
(Chloor is als enige negatief geladen)
Bouwstenen en biopolymeren
Soorten biomoleculen:
Eiwitten:
- Opgebouwd uit aminozuren,
- Bouwstenen organisme
- Regelen chemische reacties in het lichaam
Koolhydraten (suikers/ polysachariden)
- Opgebouwd uit monosacheriden
- Energiebron
Lipiden/ vetten
- Opgebouwd uit vetzuren en glycerol
- Bouwstenen van membranen
- Reservestof
Nucleïnezuren (DNA/ RNA)
- Opgebouwd uit mono nucleotiden
- Opslag erfelijke informatie
Biomolecuul = molecuul dat van nature voorkomt in een organisme en gevormd kan worden
door organismen.
Polymeren = opgebouwd uit keten van bouwstenen met bijna dezelfde structuur
Organellen: (alleen bij eukaryotische cellen)
Celkern = opslag van DNA in de vorm van
chromosomen
Mitochondrien = energiecentrale
Lysosomen = afbraak van stoffen/ opslag van
afvalstoffen
Endoplasmatisch reticulum: transport en bewerking
van secretie-eiwitten/ betrokken bij
stofwisselingsprocessen
Secretie= afscheiding/afgifte
2
,Oorzaak verschil tussen cellen:
Nageslacht lijkt op ouders -> want er wordt DNA (erfelijke informatie) doorgegeven
Erfelijke informatie ligt opgeslagen in het DNA
- Alle cellen hebben hetzelfde DNA toch grote verschillen tussen cellen mogelijk
- Elke cel maakt andere eiwitten -> informatie voor eiwitten ligt in DNA
- Elke cel gebruikt verschillende stukjes DNA
Translatie = vertalen van een genetische code op het DNA naar een werkzaam eiwit
Transcriptie = een kopie van een genetische code maken
Genotype = genetische code op het DNA
Fenotype =
RNA=
Water:
H20 is het belangrijkste bestanddeel van levende organismen
- Heeft extreem hoog vriespunt en kookpunt
- Dit komt door polair karakter -> vorming waterstofbruggen
- Uitstekend oplosmiddel voor polaire bindingen en zouten
Waterstofbrug: niet covalente binding tussen moleculen waarbij de postieve lading van het H
wordt aangetrokken door de negatieve lading van een ander molecuul bijv. O
Functies water:
- Oplosmiddel voor meeste eiwitten en ionen
- Chemische reacties kunnen zich in water afspelen
- Betrokken bij chemische reacties
- Transportmiddel
- Temperatuurregulatie
Chemische reacties water:
Hydrolyse: splitsing polymeer waarbij H20 wordt gebruikt
Condensatie: vorming polymeer waarbij H20 wordt gesplist
Verbranding: reactie van stof met zuurstof waarbij H20 en CO2 ontstaat
C6H12O6 + 6 O → 6 CO2 +6 H2O + energie
Metabolisch water = water dat ontstaat als gevolg van stofwisselingsprocessen (dus wat na
de pijl ontstaat)
CONDENSATIE REACTIE
HYDROLYSE REACTIE
3
, Biochemie hoofdstuk 2
Eiwitten of stoffen die door eiwitten zijn gemaakt, zijn betrokken bij alle chemische processen
in ons lichaam
Structurele eiwitten = vormen van structurele bestanddelen van de cel (bouwstof)
Functionele eiwitten = specifieke fysiologische functie
Functies:
- Regulatie metabolisme (stofwisseling) → chemische reacties katalyseren, hormonen
- Voeding →voedingsbron voor embryo’s en baby’s
- Transport → draagstof
- Bescherming → antilichamen, bloedstolling (fibrinogeen)
- Spiercorrectie → handhaving lichaamsstructuren
- Handhaving osmotische druk en pH
Eiwitten zijn opgebouwd uit aminozuren
- 20 verschillende aminozuren
- Afgekort met drie letters
- Bevat twee functionele groepen + restgroep → Aminogroep (NH2) is basisch en kan
H+ opnemen, Carbonzuurgroep (COOH) is zuur en kan H+ afstaan
- Afhankelijk van pH is het positief of negatief geladen
Eiwitten hebben een iso-elektrisch punt
pH < dan pl → positieve lading aminozuur
pH > dan pl → negatieve lading aminozuur
Restgroep (R)
- Apolaire aminozuren = niet-polaire restgroep (kenmerk CH2, CH3)
- Polaire aminozuren = niet geioniseerde, wel polaire groep (kenmerk H, OH, SH,
NH2,O)
- Zure aminozuren = tweede carbonzuur is restgroep (kenmerk COO-)
- Basische aminozuren = basische groep is restgroep (kenmerk H+)
Peptide = keten van aminozuren
- Gevormd door carbonzuur + aminogroep
- Hydrolyse peptide = verbruikt water
Lange peptide keten
- NH3+ als uiteinde : links
- COO- als uiteinde : rechts
Peptidebinding
- Covalente binding (zeer stabiel)
- Verbreken peptidebinding door: verhitting(hydrolyse) en proteolytische enzymen
4