Optometrie Leerjaar 1, Blok A (2020/2021)
HC4 Medisch Zenuwweefsel
Tentamenvragen:
1. Hieronder staat een afbeelding van een epitheel. Welke stelling is waar?
a. Dit epitheel is pseudogelaagd cilinderepitheel.
b. De slijmvliescellen in dit epitheel zijn endocriene klieren.
c. Je vindt dit weefsel onder andere in de conjunctiva (oogslijmvlies).
2. Welke vezels zijn sterk en buigzaam?
a. Collagene vezels
b. Reticulaire vezels
c. Elastische vezels
3. Welke weefseltypen verwacht je in laag 1?
a. Epitheel
b. Epitheel en zenuwweefsel
c. Epitheel, zenuwweefsel en losmazig bindweefsel
4. Welke van de onderstaande elementen wordt niet in kraakbeenweefsel aangetroffen
maar wel in botweefsel?
a. Levende cellen
b. Bloedvaten
c. Vezels
5. Welke van de onderstaande teksten past het beste bij holocriene secretie?
a. De volgroeide cel sterf en is in zijn geheel het secretieproduct.
b. Afgescheiden stuk van de cel is het secretieproduct.
c. Het secretieproduct verlaat de cel door middel van exocytose.
6. Je zit hier een nierbuisje in de nieren. Wat voor soort cellen zitten hier?
a. Eenlagig plaveiselepitheel
b. Eenlagig kubisch epitheel
c. Eenlagig cilinderepitheel
, 7. Welke van de onderstaande uitspraken over de tekening hiernaast is juist?
a. Microvilli zorgen voor een vergroting van het oppervlak van de cel. Daardoor
weet je dat er veel stoffen vanuit de cel naar buiten getransporteerd worden.
b. Een gap junction is een opening tussen cellen. Hierdoor zullen celorganellen
(zoals mitochondria en ribosomen) zich van de ene cel naar de andere
kunnen verplaatsen.
c. Een desmosoom is een gespecialiseerde cel die twee andere cellen bij elkaar
kan houden.
d. Een basaalmembraan vind je alleen bij epitheelcellen en deze wordt ook
gevormd door epitheelcellen.
Antwoorden tentamenvragen:
1. A
2. A
3. B
4. A
5. B
6. D
HC4 Medisch Zenuwweefsel
Tentamenvragen:
1. Hieronder staat een afbeelding van een epitheel. Welke stelling is waar?
a. Dit epitheel is pseudogelaagd cilinderepitheel.
b. De slijmvliescellen in dit epitheel zijn endocriene klieren.
c. Je vindt dit weefsel onder andere in de conjunctiva (oogslijmvlies).
2. Welke vezels zijn sterk en buigzaam?
a. Collagene vezels
b. Reticulaire vezels
c. Elastische vezels
3. Welke weefseltypen verwacht je in laag 1?
a. Epitheel
b. Epitheel en zenuwweefsel
c. Epitheel, zenuwweefsel en losmazig bindweefsel
4. Welke van de onderstaande elementen wordt niet in kraakbeenweefsel aangetroffen
maar wel in botweefsel?
a. Levende cellen
b. Bloedvaten
c. Vezels
5. Welke van de onderstaande teksten past het beste bij holocriene secretie?
a. De volgroeide cel sterf en is in zijn geheel het secretieproduct.
b. Afgescheiden stuk van de cel is het secretieproduct.
c. Het secretieproduct verlaat de cel door middel van exocytose.
6. Je zit hier een nierbuisje in de nieren. Wat voor soort cellen zitten hier?
a. Eenlagig plaveiselepitheel
b. Eenlagig kubisch epitheel
c. Eenlagig cilinderepitheel
, 7. Welke van de onderstaande uitspraken over de tekening hiernaast is juist?
a. Microvilli zorgen voor een vergroting van het oppervlak van de cel. Daardoor
weet je dat er veel stoffen vanuit de cel naar buiten getransporteerd worden.
b. Een gap junction is een opening tussen cellen. Hierdoor zullen celorganellen
(zoals mitochondria en ribosomen) zich van de ene cel naar de andere
kunnen verplaatsen.
c. Een desmosoom is een gespecialiseerde cel die twee andere cellen bij elkaar
kan houden.
d. Een basaalmembraan vind je alleen bij epitheelcellen en deze wordt ook
gevormd door epitheelcellen.
Antwoorden tentamenvragen:
1. A
2. A
3. B
4. A
5. B
6. D