Spraak & Mondgewoonten
Week 7: Normale spraakontwikkeling theorie (I)
Het taal- en spraakproductiemodel van Levelt (1989)
Lexicon: Woordenschat en fonologische woordvormen.
Lemma: Semantische vorm woord.
Lexeem: Fonologische vorm woord.
Taal: Systeem van conventionele tekens waarmee de gebruikers van taal ideeën kunnen
communiceren.
Taalteken: Waarneembare vorm met niet waarneembare betekenis.
Spraak: Vorm van het taalteken, klankvormen (arbitraire relatie, willekeurig).
Taal en spraak: Binnenkant en buitenkant.
1. Conceptualiseren: Kennis —> Preverbale boodschap.
2. Grammaticaal en fonologisch coderen: Lexicon en fonologische invulling.
3. Fonetisch plan: Planning en programmering van de benodigde spierbewegingen voor de
spraak.
4. Articuleren: Het uitspreken.
5. Monitoring: Voortdurende kwaliteitscontrole, zelfcorrecties, soms voordat er gesproken is.
6. Auditieve waarneming.
7. Decodering.
Pagina 1
, Spraak & Mondgewoonten
Spraakketen
Centraal: Hersenen.
Perifeer: Motorisch.
1 t/m 3 Articulatorische fonetiek Bedoelen, formuleren, spreken
4 Akoestische fonetiek Spraakgeluid
5 t/m 7 Auditieve fonetiek Horen, verstaan, begrijpen
Voorwaarden voor communicatie:
- Van belang dat beide gesprekspartners in hetzelfde medium zitten.
- Spreker en luisteraar moeten toegang hebben tot hetzelfde transmissiekanaal.
- Spreker en luisteraar moeten toegang hebben tot dezelfde taalcode.
- De keten is zo sterk als de zwakste schakel.
Pagina 2
, Spraak & Mondgewoonten
Spraakperceptie - Het oor:
- Oorschelp: Geluidsgolven worden opgevangen en door de vorm van de oorschelp, naar de
gehoorgang geleid en botsen daar tegen het trommelvlies.
- Middenoor: Gehoorbeentjes passen geluidstrilling aan en brengen de vloeistof in het binnenoor
in beweging, zo ontstaan er golven.
- Binnenoor: Analyseert trillingen en zet ze om naar een neurale code die naar N. VIII gaat.
Spraakperceptie:
- Pasgeborenen prefereren spraak boven niet-spraak, motherese, moedertaal, herhaaldelijke
aangeboden spraakstimuli.
- 2 maanden: Onderscheiden van klinkers in éénlettergrepige woorden bij verschillende sprekers.
- 2 tot 3 maanden: Categoriseren van klinkers, ondanks tempowisselingen in uitspraak.
- 0 tot 10 maanden: Kinderen onderscheiden de betekenisonderscheidene kenmerken van de
klanken van de moedertaal.
- 6 maanden: Aandacht voor pauze aan het einde van een zin.
- 11 maanden: Aandacht voor pauzes tussen woorden van een zin.
- 9 maanden: Voorkeur voor klankcombinaties uit moedertaal.
- 9 maanden: Voorkeur voor klanken van de moedertaal, nog niet voor prosodie.
Selection-avoidance theorie: Theorie die er vanuit gaat dat kinderen op basis van hun
genetische en fonologische capaciteiten hun eerste woorden kiezen.
Mc Gurk effect: Als je een geluid hoort bijv. BAA zoals ik het filmpje en je verandert je
mondbeeld, dan versta je verschillende woorden. Het visuele wint het van het auditieve. Wij
doen veel met ons mondbeeld.
Bernouilli effect: Bij de articulatie beweeg je de spieren door het Bernouilli effect. De
stembanden zitten tegen elkaar aan. Er komt een snelle luchtstroom door de stembanden heen.
Het Bernouilli effect zorgt er weer voor dat ze weer naar elkaar toe gezogen worden.
Bron-Filtermodel: Bron is geluid van de stembanden. Filter is wat er aan resonantie bij gegooid
wordt. Door het filter kun je verschillende effecten aangeven. De basis van je stembanden is
hetzelfde (hypernasaal, hyponasaal, verdragend, ingetogen).
Spraakproductie in fasen:
1. Initiatie, innervatie: Op gang brengen luchtstroom vanuit de longen.
2. Fonatie: Adductie van de stemplooien - Bernoulli effect - Geluidsgolf.
3. Articulatie: Onderbreking van de luchtstroom/geluidsgolf door beweging van articulatoren
(vocalen en consonanten).
4. Resonantie: De geluidsgolf wordt weerkaatst/geresoneerd in de ruimte waarin hij terecht komt.
Pagina 3
, Spraak & Mondgewoonten
Week 9: Normale spraakontwikkeling theorie (II)
Latijnse benamingen:
Zachte gehemelte = Velum.
Harde gehemelte = Palatum, velair, plataal.
Huig = Uvulair.
Stemplooien = Glottaal.
Lippen = Labiaal.
Tandkassen = Alveolair.
Tong = Linguaal.
Tongpunt = Apicaal.
Tongrug = Dorsaal.
Tand = Dentaal.
Neusholte = Nasaal.
Articulatoren
Dynamisch Statisch
Tong Alveolairrand
Lippen Harde gehemelte
Onderkaak Tanden
Zachte gehemelte Neusholte
Wangen
Larynx
Farynx
Vocalen, klinkers: Klanken die zonder obstakel in de mond-keelholte gerealiseerd worden (altijd
stemhebbend). Positie tong bepaalt de grootte en mate van constrictie.
1. Gesloten - Hoog.
2. Open - Laag.
3. Gerond - Ongerond.
Kenmerken klanken, distinctieve kenmerken:
1. + Stem of - Stem (stemloos of stemhebbend).
2. + Dorsaal of - Dorsaal (Voor of achter liggende klank).
3. + Continuant of - Continuant (alle klanken behalve de plosieven).
Pagina 4
Week 7: Normale spraakontwikkeling theorie (I)
Het taal- en spraakproductiemodel van Levelt (1989)
Lexicon: Woordenschat en fonologische woordvormen.
Lemma: Semantische vorm woord.
Lexeem: Fonologische vorm woord.
Taal: Systeem van conventionele tekens waarmee de gebruikers van taal ideeën kunnen
communiceren.
Taalteken: Waarneembare vorm met niet waarneembare betekenis.
Spraak: Vorm van het taalteken, klankvormen (arbitraire relatie, willekeurig).
Taal en spraak: Binnenkant en buitenkant.
1. Conceptualiseren: Kennis —> Preverbale boodschap.
2. Grammaticaal en fonologisch coderen: Lexicon en fonologische invulling.
3. Fonetisch plan: Planning en programmering van de benodigde spierbewegingen voor de
spraak.
4. Articuleren: Het uitspreken.
5. Monitoring: Voortdurende kwaliteitscontrole, zelfcorrecties, soms voordat er gesproken is.
6. Auditieve waarneming.
7. Decodering.
Pagina 1
, Spraak & Mondgewoonten
Spraakketen
Centraal: Hersenen.
Perifeer: Motorisch.
1 t/m 3 Articulatorische fonetiek Bedoelen, formuleren, spreken
4 Akoestische fonetiek Spraakgeluid
5 t/m 7 Auditieve fonetiek Horen, verstaan, begrijpen
Voorwaarden voor communicatie:
- Van belang dat beide gesprekspartners in hetzelfde medium zitten.
- Spreker en luisteraar moeten toegang hebben tot hetzelfde transmissiekanaal.
- Spreker en luisteraar moeten toegang hebben tot dezelfde taalcode.
- De keten is zo sterk als de zwakste schakel.
Pagina 2
, Spraak & Mondgewoonten
Spraakperceptie - Het oor:
- Oorschelp: Geluidsgolven worden opgevangen en door de vorm van de oorschelp, naar de
gehoorgang geleid en botsen daar tegen het trommelvlies.
- Middenoor: Gehoorbeentjes passen geluidstrilling aan en brengen de vloeistof in het binnenoor
in beweging, zo ontstaan er golven.
- Binnenoor: Analyseert trillingen en zet ze om naar een neurale code die naar N. VIII gaat.
Spraakperceptie:
- Pasgeborenen prefereren spraak boven niet-spraak, motherese, moedertaal, herhaaldelijke
aangeboden spraakstimuli.
- 2 maanden: Onderscheiden van klinkers in éénlettergrepige woorden bij verschillende sprekers.
- 2 tot 3 maanden: Categoriseren van klinkers, ondanks tempowisselingen in uitspraak.
- 0 tot 10 maanden: Kinderen onderscheiden de betekenisonderscheidene kenmerken van de
klanken van de moedertaal.
- 6 maanden: Aandacht voor pauze aan het einde van een zin.
- 11 maanden: Aandacht voor pauzes tussen woorden van een zin.
- 9 maanden: Voorkeur voor klankcombinaties uit moedertaal.
- 9 maanden: Voorkeur voor klanken van de moedertaal, nog niet voor prosodie.
Selection-avoidance theorie: Theorie die er vanuit gaat dat kinderen op basis van hun
genetische en fonologische capaciteiten hun eerste woorden kiezen.
Mc Gurk effect: Als je een geluid hoort bijv. BAA zoals ik het filmpje en je verandert je
mondbeeld, dan versta je verschillende woorden. Het visuele wint het van het auditieve. Wij
doen veel met ons mondbeeld.
Bernouilli effect: Bij de articulatie beweeg je de spieren door het Bernouilli effect. De
stembanden zitten tegen elkaar aan. Er komt een snelle luchtstroom door de stembanden heen.
Het Bernouilli effect zorgt er weer voor dat ze weer naar elkaar toe gezogen worden.
Bron-Filtermodel: Bron is geluid van de stembanden. Filter is wat er aan resonantie bij gegooid
wordt. Door het filter kun je verschillende effecten aangeven. De basis van je stembanden is
hetzelfde (hypernasaal, hyponasaal, verdragend, ingetogen).
Spraakproductie in fasen:
1. Initiatie, innervatie: Op gang brengen luchtstroom vanuit de longen.
2. Fonatie: Adductie van de stemplooien - Bernoulli effect - Geluidsgolf.
3. Articulatie: Onderbreking van de luchtstroom/geluidsgolf door beweging van articulatoren
(vocalen en consonanten).
4. Resonantie: De geluidsgolf wordt weerkaatst/geresoneerd in de ruimte waarin hij terecht komt.
Pagina 3
, Spraak & Mondgewoonten
Week 9: Normale spraakontwikkeling theorie (II)
Latijnse benamingen:
Zachte gehemelte = Velum.
Harde gehemelte = Palatum, velair, plataal.
Huig = Uvulair.
Stemplooien = Glottaal.
Lippen = Labiaal.
Tandkassen = Alveolair.
Tong = Linguaal.
Tongpunt = Apicaal.
Tongrug = Dorsaal.
Tand = Dentaal.
Neusholte = Nasaal.
Articulatoren
Dynamisch Statisch
Tong Alveolairrand
Lippen Harde gehemelte
Onderkaak Tanden
Zachte gehemelte Neusholte
Wangen
Larynx
Farynx
Vocalen, klinkers: Klanken die zonder obstakel in de mond-keelholte gerealiseerd worden (altijd
stemhebbend). Positie tong bepaalt de grootte en mate van constrictie.
1. Gesloten - Hoog.
2. Open - Laag.
3. Gerond - Ongerond.
Kenmerken klanken, distinctieve kenmerken:
1. + Stem of - Stem (stemloos of stemhebbend).
2. + Dorsaal of - Dorsaal (Voor of achter liggende klank).
3. + Continuant of - Continuant (alle klanken behalve de plosieven).
Pagina 4