de onderdelen van tanden en kiezen moet je kennen.
De 7 levenskenmerken + toelichten :
- Ademhaling = gaswisseling, gassen opnemen en afgeven aan de
lucht.
- Voeding = opnemen van voedingsstoffen en voedsel.
- Uitscheiding = stoffen afgeven aan de omgeving.
- Voortplanting= maken van nakomelingen.
- Beweging = Dieren en mensen kunnen zich voort bewegen door
te lopen. Bacteriën verplaatsen zich door de lucht. Zelfs planten
kunnen bewegen. Denk maar aan een bloem die open gaat als
het zonnetje schijnt.
- Groeien = groter en zwaarder worden van een organisme en
ontwikkelen.
- Waarnemen = reageren op prikkels uit de omgeving.
EZEL BRUGGETJE:
Als = Ademhaling
Vader = Voeding
Uitgaat = Uitscheiding
Wordt = Waarnemen
Vader = Voortplanten
Goed = Groeien
Bezopen = Bewegen
, plantencel:
- Celkern = klein bolletje in de cel, in de celkern zit DNA.
DNA bepaalt de erfelijke eigenschappen van een organisme
en regelt alles wat er in een cel gebeurt en welke stoffen een
cel maakt.
- Cytoplasma = stroperige vloeistof.
hierin liggen de bladgroenkorrels en de celkern.
- Celmembraan = buitenste vlies van de cel.
alle stoffen die de cel ingaan of verlaten passeren dit vlies,
het celmembraan bepaalt welke stoffen de cel in en uit gaan.
- Vacuole = soort blaasje in het midden van de cel.
De vacuole is helemaal volgepompt met water.
De volle vacuole drukt via het cytoplasma tegen de celwand,
Daardoor is de cel stevig.
- Bladgroenkorrels = groene korrels in het cytoplasma.
De bolletjes bevatten een groene kleurstof.
Alle bladgroenkorrels samen geven de plant de groene kleur.
In de bladgroenkorrels vindt fotosynthese plaats,
Hierbij ontstaat GLUCOSE.
- Celwand = stevige laag om de cel heen.
Deze laag bestaat vooral uit cellulose.
Cellulose is een taaie, vezelige stof.
Weetje over de celwand:
De celwanden van de plantencellen zijn de voedingsvezels in
de groentes die je eet.