Lotte van Herpen
2031649
Werkgroep 3
Casus 2 ‘Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding’
07-05-2021
1
, Geachte voorzitter, leden van de rechtbank,
Inleiding
1. Al 14 jaar lang draagt mijn cliënte, mevrouw Haddad, een nikab. Zij heeft daar destijds
zelf voor gekozen. En plotseling, in augustus 2019, wordt er een nieuwe Wet ingevoerd, de
Wet verbod gezichtsbedekkende kleding. Een Wet die ervoor zorgt dat mevrouw Haddad
ineens nergens meer mag komen, niet eens in het ziekenhuis waar haar zoontje kortgeleden
met spoed naartoe was gebracht. Denkt u zich eens in hoe het moet voelen om zo
buitengesloten te worden van de rest, alleen maar vanwege het uiten van uw geloof. Dát is nu
de realiteit waar mijn cliënte mee moet leven.
2. Mevrouw Haddad heeft een boete opgelegd gekregen. Zij wordt echter onevenredig zwaar
wordt getroffen door deze boete. Mijn cliënte meent daarom dat het boetebesluit vernietigd
dient te worden, dan wel dat een forse verlaging van de boete op zijn plaats is.
Uiteenzetting
3. Wat is er in deze zaak gebeurd? Op dinsdag 2 februari krijgt mevrouw Haddad een
telefoontje met het bericht dat haar achtjarige zoon een heftige epileptische aanval heeft
gehad en als gevolg daarvan in het ziekenhuis ligt. U kunt zich voorstellen dat dit erg
schrikken is geweest en dat haar emoties de overhand namen. Mevrouw Haddad is zo snel als
zij kon naar het ziekenhuis gegaan, waar de situatie van haar zoon gelukkig onder controle
bleek te zijn. Later verlaat mevrouw Haddad het ziekenhuis weer. Daar wordt zij
aangesproken door een toezichtsambtenaar op het feit dat zij een nikab draagt, met de
mededeling dat zij daarvoor een boete zal krijgen. Voor mevrouw Haddad is het dragen van
een nikab een gewoonte en door de schrik van wat er was gebeurd heeft zij die zonder
daarover na te denken opgedaan. Mevrouw Haddad was met haar gedachten bij de
gezondheidstoestand van haar zoon. Enige tijd later ontvangt mevrouw Haddad per post de
boete van maar liefst €340. Dat is volgens art. 2 lid 2 van de Wet verbod gezichtsbedekkende
kleding het maximale bedrag dat opgelegd kan worden.
4. Gezien deze feiten en omstandigheden is het naar mening van mijn cliënte niet redelijk om
haar een boete op te leggen, en zeker niet met een boete van deze hoogte. Het besluit tot het
opleggen van de boete dient daarom vernietigd te worden. Mocht de rechtbank van oordeel
zijn dat een boete wel op zijn plaats is, dan verzoekt mijn cliënte om een forse verlaging van
die boete.
5. Ik zal dit als volgt toelichten: eerst zal ik aangeven waarom de Wet verbod op
gezichtsbedekkende kleding een ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het recht op
godsdienstvrijheid. Daarna zal ik aangeven waarom het opleggen van deze boete niet strookt
met het evenredigheidsbeginsel.
Argumentatie
6. De Wet verbod gezichtsbedekkende kleding (hierna: Wet) raakt aan een aantal
fundamentele rechten in onze samenleving. Met name het recht op godsdienstvrijheid wordt
2