Functie van water in land- en tuinbouw: - !! watergift te optimaliseren -> kennis over grondstructuur, grondsoorten en
- Intern: processen in de bodem is noodzakelijk !!
o Verhouding water/ DS varieert met het groeistadium van de plant Bodemstructuur:
o Vochtgehalte neemt toe naarmate de vruchten groeien - Poriën kunnen gevuld zijn met water en/of lucht
o Deze waterstroom wordt benut als: - Door binding wordt de stevigheid van de bodem bepaald
Oplosmiddel voor VS - Functie poriën:
Transportmiddel voor VS o Zorgen dat er lucht in de bodem kan dringen
In het assimilatieproces o Goede beworteling mogelijk maken
Temperatuurregeling (verdampen = koelen) o Water kan worden vastgehouden
Steun geven aan plant o Overmaat aan water kan worden afgevoerd
- Extern: - Goede verhouding van grote en kleine poriën
o Watergebruik min of meer buiten het plantensysteem om: Bodemtextuur:
Nachtvorstwering (fruit/ sierteelt) - Bodemdeeltjes nooit zuiver, maar steeds een mengsel van meerdere
Beperken van verdamping verschillende bodemdeeltjes
Toedienen van kunstmeststoffen en - Korrelgrootte tussen 0-13 micrometer = afslibbaar
ziektebestrijdingsmiddelen o Hoof afslibbaar, zware gronden, moeilijke grondbewerking
Doorspoelen van de bodem om zoutoplossing te voorkomen - ZAND:
Beschikbaarheid van water: o Grootte: 50-2000 micrometer
- Naarmate de plant dieper en uitgebreider wortelt -> meer bodemvocht o Elektrische lading = 0
beschikbaar o Vorm: isodiametrisch
- Teelt in vollegrond: o Veel ruimtes
o Substraatvolume = 300 l/ m2 bij teeltlaag van 30 cm - SILT:
o Langere periode water kunnen vasthouden o Grootte: 2-50 micrometer
- Substraatteelt: o Elektrische lading = 0
o Wortelzone beperkt o Vorm: isodiametrisch en plaatvormig
o Substraatvolume = 10-12 l/m2 o Poriën kleiner en veel water vasthouden
- Teelten met geen of bijna geen substraat: - LUTUM:
o NFT (nutrient film technique) o Grootte: 0-2 micrometer
Waterbalans: o Negatief ladingsverschil
- 70 % water is er op de hele wereld: o Vorm: plaatvormig
o 97% onbruikbaar/ zout o Zwel en krimp vermogen (scheuren en dichtzwellen)
o 2,15% ijs en sneeuw - ORGANISCHE STOF:
o 0,62 % grondwater o Beïnvloed de bodem:
o 0,03 % oppervlaktewater De structuur
- Bij verdamping spelen vele factoren een rol: Vochtvasthoudend vermogen
o Zonlicht (duur en intensiteit) Bewortelbaarheid
o Wind (richting en snelheid) Erosiegevoeligheid
o Temperatuur Kationenomwisselcapaciteit
o Luchtvochtigheid o Bestaat uit: 5/10 wortels, 1/10 bodem fauna en 3/10 MO
- Verschillende vormen van verdamping: o Dode organische stof = humus
o Evaporatie = verdamping aan natte opp. o Rol van bodemfauna bij humusvorming:
o Transpiratie = verdamping via huidmondjes Verkleinen en verplaatsen van org. materiaal
o Evapotranspiratie = de som van evaporatie en transpiratie Mengen org. en min. Delen
Verplaatsen microfauna en flora
, - SLEMP: - KIJK BIJLAGE
o Kleine gronddeeltjes in bovenlaag vallen tussen grotere gronddeeltjes
o Bij een hoger % lutum neemt slempgevoeligheid steeds meer af
Fysische eigenschappen van de grond:
- Soortelijk gewicht = het gewicht in g van 1 cm3 vaste bestanddelen zonder Grondwaterstand:
poriën ( Sg = G/Vv ) - Hangt af van:
- Volume gewicht = het droogvolumegewicht = het gewicht in g na drogen bij o Regenval/ watergift
105°C van 1 cm3 ( Gg = G/ Vt ) o Verdamping
- Vochtgehalte van de grond = het aantal g water per g water droge stof o Waterafvoer en aanvoer door de grond
o Gewichtspercentage water: ( (Gw x 100)/ G ) - Bolle stand (watergift), holle stand (verdamping)
o Volumepercentage water: ( Vw / (Vt x 100) ) o Hangt af van
- De relatie tussen het gewichts- en volumepercentage is: Dikte van de laag
o Volume percentage water = gewichtspercentage water x volume Hoeveelheid water
gewicht Doorlatendheid
Binding van water: Afstand tussen de sloten
- Hydrostatisch evenwicht = wanneer het water in de grond geheel uitgezakt is
o Voorwaarden: geen stroming en capillaire opstijging, geen verdamping
en uitspoeling
- K-factor: doorlatendheid is niet zo zeer afhankelijk van het totale
poriënvolume, maar van de diameters van de afzonderlijke poriën
o Poriën kleiner -> weerstand hoger -> K-factor lager -> grond droger
Waterstromingen:
- Waterstromingen in verzadigde grond:
o Grondwaterstroming = de stroming van water in verzadigde grond (in
zones met vrij water)
Bindingskrachten:
- Waterstromingen in onverzadigde grond:
- Cappilaire krachten: ontstaan door aantrekkingskrachten tussen de
o Onverzadigde stroming = Stroming van water in capillaire zone en in
watermoleculen onderling (cohesie) en de aantrekkingskrachten die de
gronddeeltjes op de watermoleculen uitoefenen (adhesie) de hangwaterzone
- Osmotische krachten: verschijnwel waarbij een oplossing naar verdunning - Horizontale stroming = lage naar hoge pH
streeft (de waterlaag rond de deeltjes vergoot) - Verticale stroming = hoge naar lage pH (moet rekening houden met de
pF- curve: (vochtkarakteristiek) zwaartekracht
- Aan de hand van de zuigspanning bepaald worden hoeveel water er in de - Kortsluiting = door grote poriën gaat water te snel naar de ondergrond
bodem aanwezig is - Waterbeweging in serres:
- Vochtspanning = de kracht waarmee grond aan het water zich bevindt o Na afloop van de teelt dient de grond dan te worden doorgespoeld
- Logaritme: omdat de waarden te groot zijn (van het waterkolom) waarmee doorgaans veel water is mee gemoeid
- Verwelkingspunt = het punt waarop de door de plant uitgeoefende o Bij containerteelt en vormen van externe watervoorziening is een
zuigspanning even groot is als de zuigspanning in de grond gelijkmatig sproeipatroon echter van zeer groot belang
o 12 000 hPa of pF = 4,2 Waterbehoefte:
- Veldcapaciteit = het vochtgehalte van de grond nadat het volledig is verzadigd - Klimaatsfactoren: vier weersafhankelijke factoren beïnvloeden de snelheid van
geweest en enige tijd heeft kunnen draineren verdamping van het water door de plant en de evaporatie aan het
o 100 hPa of pF = 2 grondoppervlak
- Beschikbaar water = veldcapaciteit – verwelkinspunt = beschibaar water o Zonlicht:
o Water beschikbaar tussen 12000 en 100 hPa verdamping bepaalt hoeveel water door de plant moet
- Hysteresis = elke grond heeft meerdere vochtkarakteristieken worden opgenomen uit de bodem
- Intern: processen in de bodem is noodzakelijk !!
o Verhouding water/ DS varieert met het groeistadium van de plant Bodemstructuur:
o Vochtgehalte neemt toe naarmate de vruchten groeien - Poriën kunnen gevuld zijn met water en/of lucht
o Deze waterstroom wordt benut als: - Door binding wordt de stevigheid van de bodem bepaald
Oplosmiddel voor VS - Functie poriën:
Transportmiddel voor VS o Zorgen dat er lucht in de bodem kan dringen
In het assimilatieproces o Goede beworteling mogelijk maken
Temperatuurregeling (verdampen = koelen) o Water kan worden vastgehouden
Steun geven aan plant o Overmaat aan water kan worden afgevoerd
- Extern: - Goede verhouding van grote en kleine poriën
o Watergebruik min of meer buiten het plantensysteem om: Bodemtextuur:
Nachtvorstwering (fruit/ sierteelt) - Bodemdeeltjes nooit zuiver, maar steeds een mengsel van meerdere
Beperken van verdamping verschillende bodemdeeltjes
Toedienen van kunstmeststoffen en - Korrelgrootte tussen 0-13 micrometer = afslibbaar
ziektebestrijdingsmiddelen o Hoof afslibbaar, zware gronden, moeilijke grondbewerking
Doorspoelen van de bodem om zoutoplossing te voorkomen - ZAND:
Beschikbaarheid van water: o Grootte: 50-2000 micrometer
- Naarmate de plant dieper en uitgebreider wortelt -> meer bodemvocht o Elektrische lading = 0
beschikbaar o Vorm: isodiametrisch
- Teelt in vollegrond: o Veel ruimtes
o Substraatvolume = 300 l/ m2 bij teeltlaag van 30 cm - SILT:
o Langere periode water kunnen vasthouden o Grootte: 2-50 micrometer
- Substraatteelt: o Elektrische lading = 0
o Wortelzone beperkt o Vorm: isodiametrisch en plaatvormig
o Substraatvolume = 10-12 l/m2 o Poriën kleiner en veel water vasthouden
- Teelten met geen of bijna geen substraat: - LUTUM:
o NFT (nutrient film technique) o Grootte: 0-2 micrometer
Waterbalans: o Negatief ladingsverschil
- 70 % water is er op de hele wereld: o Vorm: plaatvormig
o 97% onbruikbaar/ zout o Zwel en krimp vermogen (scheuren en dichtzwellen)
o 2,15% ijs en sneeuw - ORGANISCHE STOF:
o 0,62 % grondwater o Beïnvloed de bodem:
o 0,03 % oppervlaktewater De structuur
- Bij verdamping spelen vele factoren een rol: Vochtvasthoudend vermogen
o Zonlicht (duur en intensiteit) Bewortelbaarheid
o Wind (richting en snelheid) Erosiegevoeligheid
o Temperatuur Kationenomwisselcapaciteit
o Luchtvochtigheid o Bestaat uit: 5/10 wortels, 1/10 bodem fauna en 3/10 MO
- Verschillende vormen van verdamping: o Dode organische stof = humus
o Evaporatie = verdamping aan natte opp. o Rol van bodemfauna bij humusvorming:
o Transpiratie = verdamping via huidmondjes Verkleinen en verplaatsen van org. materiaal
o Evapotranspiratie = de som van evaporatie en transpiratie Mengen org. en min. Delen
Verplaatsen microfauna en flora
, - SLEMP: - KIJK BIJLAGE
o Kleine gronddeeltjes in bovenlaag vallen tussen grotere gronddeeltjes
o Bij een hoger % lutum neemt slempgevoeligheid steeds meer af
Fysische eigenschappen van de grond:
- Soortelijk gewicht = het gewicht in g van 1 cm3 vaste bestanddelen zonder Grondwaterstand:
poriën ( Sg = G/Vv ) - Hangt af van:
- Volume gewicht = het droogvolumegewicht = het gewicht in g na drogen bij o Regenval/ watergift
105°C van 1 cm3 ( Gg = G/ Vt ) o Verdamping
- Vochtgehalte van de grond = het aantal g water per g water droge stof o Waterafvoer en aanvoer door de grond
o Gewichtspercentage water: ( (Gw x 100)/ G ) - Bolle stand (watergift), holle stand (verdamping)
o Volumepercentage water: ( Vw / (Vt x 100) ) o Hangt af van
- De relatie tussen het gewichts- en volumepercentage is: Dikte van de laag
o Volume percentage water = gewichtspercentage water x volume Hoeveelheid water
gewicht Doorlatendheid
Binding van water: Afstand tussen de sloten
- Hydrostatisch evenwicht = wanneer het water in de grond geheel uitgezakt is
o Voorwaarden: geen stroming en capillaire opstijging, geen verdamping
en uitspoeling
- K-factor: doorlatendheid is niet zo zeer afhankelijk van het totale
poriënvolume, maar van de diameters van de afzonderlijke poriën
o Poriën kleiner -> weerstand hoger -> K-factor lager -> grond droger
Waterstromingen:
- Waterstromingen in verzadigde grond:
o Grondwaterstroming = de stroming van water in verzadigde grond (in
zones met vrij water)
Bindingskrachten:
- Waterstromingen in onverzadigde grond:
- Cappilaire krachten: ontstaan door aantrekkingskrachten tussen de
o Onverzadigde stroming = Stroming van water in capillaire zone en in
watermoleculen onderling (cohesie) en de aantrekkingskrachten die de
gronddeeltjes op de watermoleculen uitoefenen (adhesie) de hangwaterzone
- Osmotische krachten: verschijnwel waarbij een oplossing naar verdunning - Horizontale stroming = lage naar hoge pH
streeft (de waterlaag rond de deeltjes vergoot) - Verticale stroming = hoge naar lage pH (moet rekening houden met de
pF- curve: (vochtkarakteristiek) zwaartekracht
- Aan de hand van de zuigspanning bepaald worden hoeveel water er in de - Kortsluiting = door grote poriën gaat water te snel naar de ondergrond
bodem aanwezig is - Waterbeweging in serres:
- Vochtspanning = de kracht waarmee grond aan het water zich bevindt o Na afloop van de teelt dient de grond dan te worden doorgespoeld
- Logaritme: omdat de waarden te groot zijn (van het waterkolom) waarmee doorgaans veel water is mee gemoeid
- Verwelkingspunt = het punt waarop de door de plant uitgeoefende o Bij containerteelt en vormen van externe watervoorziening is een
zuigspanning even groot is als de zuigspanning in de grond gelijkmatig sproeipatroon echter van zeer groot belang
o 12 000 hPa of pF = 4,2 Waterbehoefte:
- Veldcapaciteit = het vochtgehalte van de grond nadat het volledig is verzadigd - Klimaatsfactoren: vier weersafhankelijke factoren beïnvloeden de snelheid van
geweest en enige tijd heeft kunnen draineren verdamping van het water door de plant en de evaporatie aan het
o 100 hPa of pF = 2 grondoppervlak
- Beschikbaar water = veldcapaciteit – verwelkinspunt = beschibaar water o Zonlicht:
o Water beschikbaar tussen 12000 en 100 hPa verdamping bepaalt hoeveel water door de plant moet
- Hysteresis = elke grond heeft meerdere vochtkarakteristieken worden opgenomen uit de bodem