les 2: Hoofdstuk 19 Molecular biology of the cell
1. Bespreek de types en functie van cel-cel/omgevings juncties (tekening + toelichting)
A. hechtingsverbindingen (cel-cel)
cadherines → adherente juncties en desmosomen
• transmembraan moleculen
• calcium-afhankelijk
• homofiele celadhesiemoleculen
• zorgen voor een intracellulaire verankering aan het cytoskelet
o adherente juncties maken contact met actine filamenten
o desmosomen maken contact met intermediaire filamenten → heel sterke interactie
omdat ze gebruik maken van atypische cadherines (desmogleïne en desmocolline)
▪ desmosomen staan in voor de stevigheid van de cellagen
• indirect: anchor/adaptor proteïnen (bv catenin)
• gecoördineerd gebruik cytoskelet
• Cel-cel adhesie bestaat uit zeer verschillende cadherine-interacties
o je krijgt een soort velcro effect, 1 cadherine interactie heeft niet zo veel effect →
heel veel cadherine interacties maken de binding zeer stevig
• 3 typen
o neuraal
o placentaal
o epitheliaal
Selectinen
• selectinen (soort lectine-eiwitten) hebben een hoge affiniteit voor carbohydraten →
Interactie tussen leukocyten en endotheelcellen of bloedplaatjes
• calcium-afhankelijk, homofiele celadhesiemoleculen
• transiënte cel-cel hechting → zwakke interactie
• 3 typen
o leukocyten (L)
o plaatjes, endotheliale cellen (P)
o endotheliale cellen (E)
• Belangrijk voorbeeld (extravasatie)
o Als bloedcellen door het bloedvat stromen en er ergens schade is, zullen de
immuuncellen naar de plaats van schade gaan om aan wondherstel te doen
1. Bespreek de types en functie van cel-cel/omgevings juncties (tekening + toelichting)
A. hechtingsverbindingen (cel-cel)
cadherines → adherente juncties en desmosomen
• transmembraan moleculen
• calcium-afhankelijk
• homofiele celadhesiemoleculen
• zorgen voor een intracellulaire verankering aan het cytoskelet
o adherente juncties maken contact met actine filamenten
o desmosomen maken contact met intermediaire filamenten → heel sterke interactie
omdat ze gebruik maken van atypische cadherines (desmogleïne en desmocolline)
▪ desmosomen staan in voor de stevigheid van de cellagen
• indirect: anchor/adaptor proteïnen (bv catenin)
• gecoördineerd gebruik cytoskelet
• Cel-cel adhesie bestaat uit zeer verschillende cadherine-interacties
o je krijgt een soort velcro effect, 1 cadherine interactie heeft niet zo veel effect →
heel veel cadherine interacties maken de binding zeer stevig
• 3 typen
o neuraal
o placentaal
o epitheliaal
Selectinen
• selectinen (soort lectine-eiwitten) hebben een hoge affiniteit voor carbohydraten →
Interactie tussen leukocyten en endotheelcellen of bloedplaatjes
• calcium-afhankelijk, homofiele celadhesiemoleculen
• transiënte cel-cel hechting → zwakke interactie
• 3 typen
o leukocyten (L)
o plaatjes, endotheliale cellen (P)
o endotheliale cellen (E)
• Belangrijk voorbeeld (extravasatie)
o Als bloedcellen door het bloedvat stromen en er ergens schade is, zullen de
immuuncellen naar de plaats van schade gaan om aan wondherstel te doen