Nederlands Argumenteren samenvatting hoofdstuk 1 en 2
3 soorten standpunten:
1. Positief standpunt.
Bijvoorbeeld: Ik vind dat we meer oude examens als voorbereiding op het examen
moeten maken.
2. Negatief standpunt.
Bijvoorbeeld: volgens mij moeten we niet meer oude examens als voorbereiding op
het examen maken.
3. Twijfel standpunt.
Bijvoorbeeld: ik ben er nog niet uit of het goed is dat we meer oude examens als
voorbereiding op het examen moeten maken.
Er zijn 7 soorten van argumentatie:
1. Argumentatie op basis van feiten; Een standpunt wordt ondersteund door een
argument dat feiten bevat.
Voorbeeld: we kunnen beter niet bij restaurant Ottenthal gaan eten, want daar is de
goedkoopste hoofdmaaltijd al 29,50 euro.
2. Argumentatie op basis van onderzoek; Er wordt verwezen naar de resultaten van
wetenschappelijk onderzoek.
Voorbeeld: je moet voortaan twee keer in de week vis eten. Laatst bleek opnieuw uit
onderzoek dat regelmatig vis eten goed is voor hard, bloedvaten en geheugen.
3. Argumentatie op basis van normen en waarden; Als iemand zich beroept op een
algemeen gedeelde norm of waarde om zijn standpunt te steunen.
Voorbeeld: Die winkelier moet veroordeeld worden wegens poging tot doodslag. Je
schiet toch iemand niet neer omdat hij een zak appels steelt.
4. Argumentatie op basis van vermoedens; het standpunt wordt ondersteund door
een vermoeden.
Voorbeeld: Stacey zit volgens mij volgend jaar helemaal niet in Australië. Ik kan me
namelijk niet voorstellen dat ze dit jaar slaagt voor haar examen.
5. Argumentatie op basis van geloof of overtuiging; als iemand zich beroept op zijn
geloof of (levensbeschouwelijke) overtuiging als ondersteuning van zijn standpunt.
Voorbeeld: het Interkerkelijk Vredesberaad is principieel tegen elke vorm van geweld
en het IKV vond de steun van de NAVO voor de opstandelingen in Libië dan ook
verkeerd.
6. Argumentatie op basis van gezag of autoriteit; als iemand zich bij het
ondersteunen van zijn mening beroept op een deskundige of autoriteit op een
bepaald (vak) gebied.
Voorbeeld: volgens veel psychologen speelt seksualiteit in het dagelijks leven een
grote rol. De beroemde psychiater Freud heeft dat al meer dan honderd jaar geleden
ontdekt.
7. Argumentatie op basis van nut; als het standpunt een uitspraak voor of tegen een
bepaalde maatregel is, en in het argument wordt verwezen naar het nut of onnut van
die maatregel.
Voorbeeld: de maximumsnelheid op de Nederlandse snelwegen moet omlaag. Dat
levert minder verkeersslachtoffers op en het is goed voor het milieu.
Argumentatie signaalwoorden: aangezien, want, omdat, dus, namelijk, immers.
3 soorten standpunten:
1. Positief standpunt.
Bijvoorbeeld: Ik vind dat we meer oude examens als voorbereiding op het examen
moeten maken.
2. Negatief standpunt.
Bijvoorbeeld: volgens mij moeten we niet meer oude examens als voorbereiding op
het examen maken.
3. Twijfel standpunt.
Bijvoorbeeld: ik ben er nog niet uit of het goed is dat we meer oude examens als
voorbereiding op het examen moeten maken.
Er zijn 7 soorten van argumentatie:
1. Argumentatie op basis van feiten; Een standpunt wordt ondersteund door een
argument dat feiten bevat.
Voorbeeld: we kunnen beter niet bij restaurant Ottenthal gaan eten, want daar is de
goedkoopste hoofdmaaltijd al 29,50 euro.
2. Argumentatie op basis van onderzoek; Er wordt verwezen naar de resultaten van
wetenschappelijk onderzoek.
Voorbeeld: je moet voortaan twee keer in de week vis eten. Laatst bleek opnieuw uit
onderzoek dat regelmatig vis eten goed is voor hard, bloedvaten en geheugen.
3. Argumentatie op basis van normen en waarden; Als iemand zich beroept op een
algemeen gedeelde norm of waarde om zijn standpunt te steunen.
Voorbeeld: Die winkelier moet veroordeeld worden wegens poging tot doodslag. Je
schiet toch iemand niet neer omdat hij een zak appels steelt.
4. Argumentatie op basis van vermoedens; het standpunt wordt ondersteund door
een vermoeden.
Voorbeeld: Stacey zit volgens mij volgend jaar helemaal niet in Australië. Ik kan me
namelijk niet voorstellen dat ze dit jaar slaagt voor haar examen.
5. Argumentatie op basis van geloof of overtuiging; als iemand zich beroept op zijn
geloof of (levensbeschouwelijke) overtuiging als ondersteuning van zijn standpunt.
Voorbeeld: het Interkerkelijk Vredesberaad is principieel tegen elke vorm van geweld
en het IKV vond de steun van de NAVO voor de opstandelingen in Libië dan ook
verkeerd.
6. Argumentatie op basis van gezag of autoriteit; als iemand zich bij het
ondersteunen van zijn mening beroept op een deskundige of autoriteit op een
bepaald (vak) gebied.
Voorbeeld: volgens veel psychologen speelt seksualiteit in het dagelijks leven een
grote rol. De beroemde psychiater Freud heeft dat al meer dan honderd jaar geleden
ontdekt.
7. Argumentatie op basis van nut; als het standpunt een uitspraak voor of tegen een
bepaalde maatregel is, en in het argument wordt verwezen naar het nut of onnut van
die maatregel.
Voorbeeld: de maximumsnelheid op de Nederlandse snelwegen moet omlaag. Dat
levert minder verkeersslachtoffers op en het is goed voor het milieu.
Argumentatie signaalwoorden: aangezien, want, omdat, dus, namelijk, immers.