1. Hoofdstuk 1
1.1. De ontwikkeling van het kind
- als leerkracht of ouder staat je omgang met kinderen centraal.
- Bij het begeleiden van kinderen speel je voortdurend in op hun karakteristieken.
o Elke leeftijdscategorie heeft haar specifieke eigenschappen
- Iedere fase bouwt voort op wat voorafging en legt de bouwstenen voor de volgende
fase
- Identificatie van afwijkende ontwikkeling
1.4. Hoe ontstaat ontwikkeling
- De natuur, je aanleg
o Verwijst naar datgene waarmee het kind geboren wordt, die eigenschappen
die je reeds bij je geboorte hebt meegekregen.
o Manifeste eigenschappen (direct observeerbaar)
o Latente eigenschappen (nog onzichtbaar)
o Erfelijkheidsfactoren bepalen de ontwikkeling
o Het milieu kan dus hooguit gunstige voorwaarden scheppen. Het bepaalt
niet in welke richting de ontwikkeling concreet zal verlopen
- Het milieu
o Wordt je omgeving bedoeld die invloed uitoefent op je ontwikkeling
o De milieutheorie gaat ervan uit dat de ontwikkeling van een persoon
hoofdzakelijk bepaald wordt door zijn of haar omgeving
o De omgeving heeft een actieve invloed op de ontwikkeling
- De zelfbepaling
o De eigen vrije keuze
= dat de mens ook zelf omstandigheden kan scheppen
o Kiest zelf de doelen in zijn leven
o De mens is meer dan een snijpunt van aanlegfactoren en milieufactoren
- De gulden middenweg
o Naast de natuur en het milieu is de zelfbepaling ook een belangrijke
ontwikkelingsfactor
o De drie factoren beïnvloeden elkaar
Ontwikkeling dient dan ook bekeken te worden als een dynamisch
spel tussen aanleg en milieu, waarbij de persoon-in-ontwikkeling
een allesbehalve passieve rol speelt.
o Op bepaalde momenten kan een bepaalde factor een doorslaggevende
invloed hebben.
1.5. stromingen binnen de ontwikkelingspsychologie
- Psychodynamisch perspectief
o Stelt het onbewuste van personen centraal als drijfkracht van ontwikkeling
o Het gedrag wordt beïnvloed door innerlijke krachten en onbewuste driften waarover
we geen controle hebben
o Freud & Erikson
- Behaviorisme
o De observatie van waarneembaar gedrag in relatie tot omgevingsstimuli
1.1. De ontwikkeling van het kind
- als leerkracht of ouder staat je omgang met kinderen centraal.
- Bij het begeleiden van kinderen speel je voortdurend in op hun karakteristieken.
o Elke leeftijdscategorie heeft haar specifieke eigenschappen
- Iedere fase bouwt voort op wat voorafging en legt de bouwstenen voor de volgende
fase
- Identificatie van afwijkende ontwikkeling
1.4. Hoe ontstaat ontwikkeling
- De natuur, je aanleg
o Verwijst naar datgene waarmee het kind geboren wordt, die eigenschappen
die je reeds bij je geboorte hebt meegekregen.
o Manifeste eigenschappen (direct observeerbaar)
o Latente eigenschappen (nog onzichtbaar)
o Erfelijkheidsfactoren bepalen de ontwikkeling
o Het milieu kan dus hooguit gunstige voorwaarden scheppen. Het bepaalt
niet in welke richting de ontwikkeling concreet zal verlopen
- Het milieu
o Wordt je omgeving bedoeld die invloed uitoefent op je ontwikkeling
o De milieutheorie gaat ervan uit dat de ontwikkeling van een persoon
hoofdzakelijk bepaald wordt door zijn of haar omgeving
o De omgeving heeft een actieve invloed op de ontwikkeling
- De zelfbepaling
o De eigen vrije keuze
= dat de mens ook zelf omstandigheden kan scheppen
o Kiest zelf de doelen in zijn leven
o De mens is meer dan een snijpunt van aanlegfactoren en milieufactoren
- De gulden middenweg
o Naast de natuur en het milieu is de zelfbepaling ook een belangrijke
ontwikkelingsfactor
o De drie factoren beïnvloeden elkaar
Ontwikkeling dient dan ook bekeken te worden als een dynamisch
spel tussen aanleg en milieu, waarbij de persoon-in-ontwikkeling
een allesbehalve passieve rol speelt.
o Op bepaalde momenten kan een bepaalde factor een doorslaggevende
invloed hebben.
1.5. stromingen binnen de ontwikkelingspsychologie
- Psychodynamisch perspectief
o Stelt het onbewuste van personen centraal als drijfkracht van ontwikkeling
o Het gedrag wordt beïnvloed door innerlijke krachten en onbewuste driften waarover
we geen controle hebben
o Freud & Erikson
- Behaviorisme
o De observatie van waarneembaar gedrag in relatie tot omgevingsstimuli