H1
Variablen = algeemeen ken merk (waar wil je iets van weten in je onderzoek
Meetwaarde = waarde van je meting
Kwalitatief (discreed)= variabelen die geen hoeveelheden uitdrukken (woorden)
Nominaal niveau = een variablen die goed vast te leggen is: man of vrouw (kan ik willekeurige
volgorde staan)
Ordinaal miveau = een waarde die in een bepaalde olgorde is aangegeven : zeer negatief, negatief,
positief, zeer positief (heeft een volgorde)
Kwantitatief (discreed of contunu) =Variabelen die hoeveelheden uitdrukt (getallen)
Interval niveau = heeft geen vast nulpunt, het is om een verschil aan te geven. Bijvoorlbeeld
tempratuur en jaartallen
Ratio-schaal = Heeft een nulpunt. Word gebruikt om een verschil aantegeven, hoevaak en hoeveel
dat is. bijvoorbeeld om de modus mediaan en het gemiddelde te zoeken.
Mogelijke meetwaarde
Contunu = elke waarde kan inpreciepen aangenomen worden, ook heel ver achter de komma
bijvoorbeeld: tijd en lengte
Discreet = neemt alleen gehele waarde aan, bijvoorbeeld: aantal autos. Aantal ogen op een
dobbelsteen
Absoluut = werkelijk aantal
Relatief = verhouding tot een totaal aantal ( percentage of promillage)
Cumulatief = optellend weergeven in een tabel
Tabel
Kolom= in de kolom komen blijvenede gegevens
,Rijen = in de rijden staan gegevens die eventuul kunnne veranderen in de toekomst
Tabel moet bevatten:
Tabel nummer
Betekenis volle tietel
Bron
Frequentietabel =
Aantal rijen bepalen door wortel van aantal onderzoeken
Kwantitatief model maken
Kassenbreete is en grote van een rij om overzicht te creeren
Klassenbreedte moet een mooi rond getal zijn
70;80 = 70 tot 80 = 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79
Grafieken
, Histogram=