Samenvatting tentamenbundel Sociaal
1.1 Het beroep SJD
Sociaaljuridische dienstverleners zijn professionals die mensen met vragen of problemen
op het gebied van wet- en regelgeving ondersteunen door met hen uit te zoeken wie er in
zijn recht staat of wat een passende oplossing is.
Oorsprong
In Nederland ontstond sinds 1850 aandacht voor de sociale kwestie (het feit dat er een groot
verschil was tussen rijk en arm en dat dit een maatschappelijk vraagstuk is). Verbeteren van
omstandigheden arbeidersklasse werd gezien als oplossing. Ongelijke toegang tot het recht
werd gezien als sociale en juridische misstand.
SJD komt voort uit het idee dat recht toegankelijker moet zijn en mensen die het niet
begrijpen hulp moeten krijgen. Al vanaf 1850 wordt hierin geïnvesteerd.
Onder SJD vallen de rechtsgebieden werk en inkomen, schulden, veiligheid en criminaliteit,
zorg en welzijn, wonen en leefbaarheid.
Vanuit het werkveld, zoals het sociaal raadsliedenwerk, kwam rond 1985 duidelijk de
vraag naar een professional die zowel juridisch als sociaal-agogisch was opgeleid.
discretionaire ruimte in bij de uitvoering van het beroep van de sociaaljuridisch
dienstverlener = De ruimte die de professional heeft om binnen wettelijke
kaders beslissingen te nemen.
Beroepsrollen
Bij een SJD-functie ligt het zwaartepunt van de werkzaamheden meestal bij de vervulling van
één van de volgende rollen (deze zijn in verschillende werkveldsectoren te vinden).
- Belangenbehartiger: komt op voor de belangen van de cliënt.
- Wetsuitvoerder: bied zoveel mogelijk hulp binnen de kaders die opgelegd zijn door
de organisatie of overheid.
- Wetsuitvoerder in een gedwongen kader: de cliënt is niet vrijwillig cliënt geworden
en moet zelf zorgen voor de dienstverlening.
- Toetser: controleert het werk van de uitvoerder
- Handhaver: legt straf/maatregel op als de cliënt onterecht gebruik maakt van
voorzieningen of de wet overtreedt.
- Bemiddelaar: staat onpartijdig tussen de 2 partijen in.
- Outreachend werker: iemand die jou benaderd omdat diegene denkt dat je hulp
nodig hebt.
1.2 Samenleving: algemene begrippen
- Samenleving: groepering van mensen die samenleven
- Maatschappij: mensen die samen werken, handelen en instituten vormen.
- Cultuur: het geheel aan waarden, normen, attitudes en algemeen aanvaard gedrag dat
iedereen als lid van de samenleving doorgeeft door middel van leerprocessen.
- Waarden: wat wordt belangrijk gevonden. (Vrijheid)
, - Normen: wat vinden we normaal. De concrete gedragsregels die volgens een
bepaalde groepering horen bij een fundamenteel idee over wat belangrijk is.
- Attitudes: welk gedrag moet je laten zien om iets te regelen.
- Algemeen aanvaard gedrag: het gedrag wat is vastgesteld in routine, gewoonten,
tradities en rituelen. (Bv begroeten)
- Macht: het vermogen van personen of groeperingen om de samenleving vorm te
geven en het gedrag van anderen te beïnvloeden, eventueel tegen de wensen of
belangen van de anderen in.
- Socialisatie = het proces waarbij iemand zijn cultuur aanleert (primair -> gezin,
secundair -> werk, studie)
- Machtsongelijkheid: niet iedereen heeft evenveel macht.
- Sociale ongelijkheid: verschil in macht tussen sociale posities van groeperingen.
- Structuur = het geheel aan posities van individuen en groeperingen die met elkaar in
verhouding staan
- Positie, rol = jouw taak binnen sociaal structuur
- Interdependentie (bindingen) = onderlinge afhankelijkheid of samenhang
- Sociale stratificatie = een samenleving is opgebouwd in kagen van omvangrijke
groeperingen waartussen ongelijkheidverhoudingen ontstaan
- Beroepenprestigeladder = is een middel om sociale stratificatie bij sociaaleconomische
klassen in kaart te brengen
- Sociale mobiliteit = mogelijkheid om je positie op de ladder te veranderen, verticaal
en horizontale mogelijkheden Verticaal = bv je wordt hoofdverpleegkundige
Horizontaal = bv wordt verpleegkundige op andere afdeling
Cultuurverschillen bestaan tussen verschillende nationaliteiten, sociale klasse,
opleidingsniveau, religiositeit, stedelijkheid en sekse.
Er zijn verschillende visies op hoe je kan kijken naar cultuurverschillen.
Relativistisch iedere groep is anders en dat is oké.
Universalisme sommige waarden en normen gelden voor iedereen. (Universele Verklaring
van de Rechten van de Mens (UVRM))
Pluralisme je behoort niet tot een groep, maar meerdere en deze maken je tot wie je bent.
Culturen vergelijken
Socioloog Geert Hofstede: dimensies van Hofstede
, Machtsafstand: mate van acceptatie ongelijkheid.
- Laag is gelijk, hoog is groot verschil in positie
Individualistisch/collectivistisch:
- Collec. Zijn we op de groep
- Indiv. Op het individu gericht
Masculien/feminien:
Masculien -> grote prestatiedrang, man boven vrouw.
Feminien -> samenwerken en geen verschil in sekse.
Onzekerheidsvermijding:
- Verhelpen van toekomstig ongeluk of juist niet.
Termijngerichtheid: rekening houden met verre toekomst of niet.
- Rekening houden met verre toekomst of niet
Hedonisme/soberheid:
- Mate van plezier tegenover strenge normen
Dimensies van Hall over cultuurverschillen uit:
- Hoge of lage context = veel achtergrond (hoog) of weinig achtergrond(lage)
- Verschil in relatie tot fysieke ruimte = hoe dichtbij of hoeveel afstand heb je nodig
- Mono-/polychroom: invulling van tijd.
1. Monochroom plannen van tijd.
2. Polychroom vrije besteding.
Nederland is:
- Moderne samenleving = samenleving gebaseerd op moderne waarden
- Parlementaire democratie = Iedereen die ouder dan 18 is heeft stemrecht en kiest
zijn/haar volksvertegenwoordiger
- Rechtstaat = recht in de samenleving boven aanstaat
- Verzorgingsstaat = een stelsel waarbij de overheid zich actief bemoeit/
verantwoordelijk is voor de noodzakelijke geachte materiële en immateriële
- Lage machtsafstand, mogen zelf meebeslissen. Verhouding werknemer/gever gelijk
- Individualisme = gericht op jij
- Feminien = man vrouw gelijk
- Gemiddelde onzekerheidsvermijding,
1.1 Het beroep SJD
Sociaaljuridische dienstverleners zijn professionals die mensen met vragen of problemen
op het gebied van wet- en regelgeving ondersteunen door met hen uit te zoeken wie er in
zijn recht staat of wat een passende oplossing is.
Oorsprong
In Nederland ontstond sinds 1850 aandacht voor de sociale kwestie (het feit dat er een groot
verschil was tussen rijk en arm en dat dit een maatschappelijk vraagstuk is). Verbeteren van
omstandigheden arbeidersklasse werd gezien als oplossing. Ongelijke toegang tot het recht
werd gezien als sociale en juridische misstand.
SJD komt voort uit het idee dat recht toegankelijker moet zijn en mensen die het niet
begrijpen hulp moeten krijgen. Al vanaf 1850 wordt hierin geïnvesteerd.
Onder SJD vallen de rechtsgebieden werk en inkomen, schulden, veiligheid en criminaliteit,
zorg en welzijn, wonen en leefbaarheid.
Vanuit het werkveld, zoals het sociaal raadsliedenwerk, kwam rond 1985 duidelijk de
vraag naar een professional die zowel juridisch als sociaal-agogisch was opgeleid.
discretionaire ruimte in bij de uitvoering van het beroep van de sociaaljuridisch
dienstverlener = De ruimte die de professional heeft om binnen wettelijke
kaders beslissingen te nemen.
Beroepsrollen
Bij een SJD-functie ligt het zwaartepunt van de werkzaamheden meestal bij de vervulling van
één van de volgende rollen (deze zijn in verschillende werkveldsectoren te vinden).
- Belangenbehartiger: komt op voor de belangen van de cliënt.
- Wetsuitvoerder: bied zoveel mogelijk hulp binnen de kaders die opgelegd zijn door
de organisatie of overheid.
- Wetsuitvoerder in een gedwongen kader: de cliënt is niet vrijwillig cliënt geworden
en moet zelf zorgen voor de dienstverlening.
- Toetser: controleert het werk van de uitvoerder
- Handhaver: legt straf/maatregel op als de cliënt onterecht gebruik maakt van
voorzieningen of de wet overtreedt.
- Bemiddelaar: staat onpartijdig tussen de 2 partijen in.
- Outreachend werker: iemand die jou benaderd omdat diegene denkt dat je hulp
nodig hebt.
1.2 Samenleving: algemene begrippen
- Samenleving: groepering van mensen die samenleven
- Maatschappij: mensen die samen werken, handelen en instituten vormen.
- Cultuur: het geheel aan waarden, normen, attitudes en algemeen aanvaard gedrag dat
iedereen als lid van de samenleving doorgeeft door middel van leerprocessen.
- Waarden: wat wordt belangrijk gevonden. (Vrijheid)
, - Normen: wat vinden we normaal. De concrete gedragsregels die volgens een
bepaalde groepering horen bij een fundamenteel idee over wat belangrijk is.
- Attitudes: welk gedrag moet je laten zien om iets te regelen.
- Algemeen aanvaard gedrag: het gedrag wat is vastgesteld in routine, gewoonten,
tradities en rituelen. (Bv begroeten)
- Macht: het vermogen van personen of groeperingen om de samenleving vorm te
geven en het gedrag van anderen te beïnvloeden, eventueel tegen de wensen of
belangen van de anderen in.
- Socialisatie = het proces waarbij iemand zijn cultuur aanleert (primair -> gezin,
secundair -> werk, studie)
- Machtsongelijkheid: niet iedereen heeft evenveel macht.
- Sociale ongelijkheid: verschil in macht tussen sociale posities van groeperingen.
- Structuur = het geheel aan posities van individuen en groeperingen die met elkaar in
verhouding staan
- Positie, rol = jouw taak binnen sociaal structuur
- Interdependentie (bindingen) = onderlinge afhankelijkheid of samenhang
- Sociale stratificatie = een samenleving is opgebouwd in kagen van omvangrijke
groeperingen waartussen ongelijkheidverhoudingen ontstaan
- Beroepenprestigeladder = is een middel om sociale stratificatie bij sociaaleconomische
klassen in kaart te brengen
- Sociale mobiliteit = mogelijkheid om je positie op de ladder te veranderen, verticaal
en horizontale mogelijkheden Verticaal = bv je wordt hoofdverpleegkundige
Horizontaal = bv wordt verpleegkundige op andere afdeling
Cultuurverschillen bestaan tussen verschillende nationaliteiten, sociale klasse,
opleidingsniveau, religiositeit, stedelijkheid en sekse.
Er zijn verschillende visies op hoe je kan kijken naar cultuurverschillen.
Relativistisch iedere groep is anders en dat is oké.
Universalisme sommige waarden en normen gelden voor iedereen. (Universele Verklaring
van de Rechten van de Mens (UVRM))
Pluralisme je behoort niet tot een groep, maar meerdere en deze maken je tot wie je bent.
Culturen vergelijken
Socioloog Geert Hofstede: dimensies van Hofstede
, Machtsafstand: mate van acceptatie ongelijkheid.
- Laag is gelijk, hoog is groot verschil in positie
Individualistisch/collectivistisch:
- Collec. Zijn we op de groep
- Indiv. Op het individu gericht
Masculien/feminien:
Masculien -> grote prestatiedrang, man boven vrouw.
Feminien -> samenwerken en geen verschil in sekse.
Onzekerheidsvermijding:
- Verhelpen van toekomstig ongeluk of juist niet.
Termijngerichtheid: rekening houden met verre toekomst of niet.
- Rekening houden met verre toekomst of niet
Hedonisme/soberheid:
- Mate van plezier tegenover strenge normen
Dimensies van Hall over cultuurverschillen uit:
- Hoge of lage context = veel achtergrond (hoog) of weinig achtergrond(lage)
- Verschil in relatie tot fysieke ruimte = hoe dichtbij of hoeveel afstand heb je nodig
- Mono-/polychroom: invulling van tijd.
1. Monochroom plannen van tijd.
2. Polychroom vrije besteding.
Nederland is:
- Moderne samenleving = samenleving gebaseerd op moderne waarden
- Parlementaire democratie = Iedereen die ouder dan 18 is heeft stemrecht en kiest
zijn/haar volksvertegenwoordiger
- Rechtstaat = recht in de samenleving boven aanstaat
- Verzorgingsstaat = een stelsel waarbij de overheid zich actief bemoeit/
verantwoordelijk is voor de noodzakelijke geachte materiële en immateriële
- Lage machtsafstand, mogen zelf meebeslissen. Verhouding werknemer/gever gelijk
- Individualisme = gericht op jij
- Feminien = man vrouw gelijk
- Gemiddelde onzekerheidsvermijding,