1.1 Natuurwetenschappen:
Natuurkunde = tijdelijke veranderingen van dode stoffen
bijvoorbeeld water wordt ijs, maar ijs kan ook weer water worden
Scheikunde = blijvende veranderingen van dode stoffen,
bijvoorbeeld: hout verbrandt, er ontstaat as, as kan geen hout meer
worden
Biologie = gaat over de levende natuur met levende stoffen, dat
kunnen mensen, dieren en planten zijn → leer van het leven
Stoffen = materie genoemd
Levende stoffen:
- Prikkelbaarheid
- Beweging
- Stofwisseling
- Groei
- Voortplanting
Levende stoffen kun je indelen in:
- Aantal cellen (eencellig of meercellig)
- Grootte (micro- of macro-organismen)
- Soort (dierlijk of plantaardig)
De dode en levende stoffen worden bestudeerd in de
natuurwetenschappen:
- Natuurkunde of fysica
- Scheikunde of chemie
- Biologie
1.2 Opbouw van de stoffen:
Molecuul = is het kleinste gedeelte van een stof dat nog alle
oorspronkelijke eigenschappen van de stof bezit. Bijvoorbeeld: een
klontje suiker en breekt dit in zoveel mogelijk stukjes. Zelfs het
, kleinste korreltje smaakt zoet en bevat nog alle eigenschappen van
suiker
Element = zijn stoffen die niet verder ontleed kunnen worden, word
met een symbool aangeduid. Dit is meestal een hoofdletter, soms
door een kleine letter aangeduid. Voorbeelden: waterstof (H), ijzer
(Fe). De elementen zijn gerangschikt door een systeem → dit
noemen we periodieke systeem
- Elementen gaan verbindingen met elkaar, waardoor andere
stoffen ontstaan.
- Suiker: opgebouwd uit elementen → koolstof (C), waterstof (H),
zuurstof (O) → suiker kan je ontleden → door verhitting
- Verbindingen tussen elementen laten los → gaat suiker smelten
→ nieuwe stoffen die andere eigenschappen hebben dan suiker
Atomen = aarde is opgebouwd uit elementen, atoom kleinste deeltje
van een element.
- Bestaat uit een kern → en een of meer schillen aan de
buitenkant.
- In de kern zitten protonen → positief geladen deeltjes
- In de schil zitten elektronen → negatief geladen deeltjes
- Elektronen draaien om het atoom heen en kunnen van de ene
naar de andere schil verspringen → andere verbindingen
aangaan met andere atomen
- Neutraal atoom → aantal protonen in de kern hetzelfde als
aantal elektronen in de schillen er omheen
- Atomen kunnen elektronen opnemen of afstaan → atoom dat
elektronen opneemt wordt negatief ten opzichte van de lading
in de kern → er staat een negatief ion
- Atoom dat elektronen afstaat, wordt positief ten opzichte van
de lading in de kern → er ontstaat een positief ion
- Ion is een positief of negatief geladen atoom of atoomgroep
Natuurkunde = tijdelijke veranderingen van dode stoffen
bijvoorbeeld water wordt ijs, maar ijs kan ook weer water worden
Scheikunde = blijvende veranderingen van dode stoffen,
bijvoorbeeld: hout verbrandt, er ontstaat as, as kan geen hout meer
worden
Biologie = gaat over de levende natuur met levende stoffen, dat
kunnen mensen, dieren en planten zijn → leer van het leven
Stoffen = materie genoemd
Levende stoffen:
- Prikkelbaarheid
- Beweging
- Stofwisseling
- Groei
- Voortplanting
Levende stoffen kun je indelen in:
- Aantal cellen (eencellig of meercellig)
- Grootte (micro- of macro-organismen)
- Soort (dierlijk of plantaardig)
De dode en levende stoffen worden bestudeerd in de
natuurwetenschappen:
- Natuurkunde of fysica
- Scheikunde of chemie
- Biologie
1.2 Opbouw van de stoffen:
Molecuul = is het kleinste gedeelte van een stof dat nog alle
oorspronkelijke eigenschappen van de stof bezit. Bijvoorbeeld: een
klontje suiker en breekt dit in zoveel mogelijk stukjes. Zelfs het
, kleinste korreltje smaakt zoet en bevat nog alle eigenschappen van
suiker
Element = zijn stoffen die niet verder ontleed kunnen worden, word
met een symbool aangeduid. Dit is meestal een hoofdletter, soms
door een kleine letter aangeduid. Voorbeelden: waterstof (H), ijzer
(Fe). De elementen zijn gerangschikt door een systeem → dit
noemen we periodieke systeem
- Elementen gaan verbindingen met elkaar, waardoor andere
stoffen ontstaan.
- Suiker: opgebouwd uit elementen → koolstof (C), waterstof (H),
zuurstof (O) → suiker kan je ontleden → door verhitting
- Verbindingen tussen elementen laten los → gaat suiker smelten
→ nieuwe stoffen die andere eigenschappen hebben dan suiker
Atomen = aarde is opgebouwd uit elementen, atoom kleinste deeltje
van een element.
- Bestaat uit een kern → en een of meer schillen aan de
buitenkant.
- In de kern zitten protonen → positief geladen deeltjes
- In de schil zitten elektronen → negatief geladen deeltjes
- Elektronen draaien om het atoom heen en kunnen van de ene
naar de andere schil verspringen → andere verbindingen
aangaan met andere atomen
- Neutraal atoom → aantal protonen in de kern hetzelfde als
aantal elektronen in de schillen er omheen
- Atomen kunnen elektronen opnemen of afstaan → atoom dat
elektronen opneemt wordt negatief ten opzichte van de lading
in de kern → er staat een negatief ion
- Atoom dat elektronen afstaat, wordt positief ten opzichte van
de lading in de kern → er ontstaat een positief ion
- Ion is een positief of negatief geladen atoom of atoomgroep