Samenvatting SPSS
Week 1
Data view
- Kolommen = variabelen
- Rijen = proefpersonen
- Data = de ingevulde gegevens
Variable view
- Kolommen = eigenschappen van de variabelen
- Name = naam van de variabelen
- Type = bestaat de data uit woorden of getallen
- Width = aantal cijfers dat een antwoord kan bezitten
- Decimals = aantal decimalen dat zichtbaar is in de dataview
- Label = uitgebreide beschrijving van de variabele
- Values = wat betekenen de cijfers
- Missing = hier geef je aan welke cijfers betekenen dat de daadwerkelijke waarde niet
bekend is
- Columns = hoe breed is de kolom van de variabele visueel in dataview
- Align = hoe is de tekst uitgelijnd
- Measure = meetniveau van de variabele
Meetniveaus
Een variabele heeft altijd een meetniveau. Er zijn hiervoor vier mogelijkheden:
- Nominaal = uitsluitbare meetniveaus, geen waarde. Voorbeeld: geslacht.
- Ordinaal = rangorde, ordening. Voorbeeld: opleidingsniveau.
- Interval = meetbaar, vergelijkbaar, geen natuurlijk nulpunt. Voorbeeld: temperatuur.
- Ratio = wel een natuurlijk nulpunt. Voorbeeld: lengte.
Meetniveau Voorbeeld Onderschei Volgorde Vaste Vast
d afstand nulpunt
Nominaal Dierennamen Ja - - -
Ordinaal Opleidingsniveau Ja Ja - -
Interval IQ-scores Ja Ja Ja -
Ratio Gewicht Ja Ja Ja Ja
SPSS vanuit excel
Ga naar SPSS en klik op:
- File
- Import data
- Excel
- Open dataset in SPSS
Week 2
Syntax en output
Stel je wilt weten hoeveel respondenten 22 jaar zijn:
1. Klik op Analyze
, 2. Klik op descriptive statistics
3. Klik op frequencies
4. Kies de variabele waarvan je de frequentie wilt weten
5. Klik op paste (niet op ok)
6. Klik vervolgens op het groene pijltje in de syntax (run)
7. Hierna krijg je het antwoord (de output)
Er zijn dus drie schermen van belang:
- Data (input) .sav
- Syntax (analyse) .sps
- Output .spv
Foutieve waarden
Er zijn twee manieren om foutieve waarden te checken:
1. Frequentietabellen
2. Ascending / descending.
1. Rechtermuisknopklik op de variabele
2. Sort ascending of sort descending.
Als je een foutieve waarden hebt gevonden moet je hem aanpassen in de data view naar het
originele antwoord of veranderen in een missing value.
Twee soorten maten:
- Centrummaten = geven aan welke waarde als centrum van een verdeling kan
worden gezien.
- Spreidingsmaten = laten zien in welke mate de waarnemingsuitkomsten onderling
verschillen en afwijken van het centrum. Hoe hoger de spreidingsmaat des te verder
liggen de waarnemingsuitkomsten uit elkaar.
Centrummaten:
- Gemiddelde: het gemiddelde van een reeks waarden is de som van alle waarden
gedeeld door het aantal waarden. Kenmerken zijn:
Houdt rekening met het aantal en de hoogte van de scores
Kan een getal opleveren dat niet in de reeks voorkomt
Is gevoelig voor uitschieters
- Modus: de modus is de waarde met de hoogste frequentie. Kenmerken zijn:
De modus is altijd de top van de grafiek
De modus geeft een snel overzicht van waar de meeste scores zich bevinden
- Mediaan: de mediaan is de middelste score (nadat alle scores zijn geordend van
laag naar hoog). Kenmerken zijn:
De mediaan geeft zicht op ordening
Verdeeld de data 50/50
Let op bij even aantal waarnemingen!
Spreidingsmaten
- Spreidingsbreedte: het verschil tussen de hoogste en de laagste score
- Standaarddeviatie: de gemiddelde afwijking van de waardes tot het gemiddelde
- Variantie: standaarddeviatie in het kwadraat
Samenhang centrum- en spreidingsmaten en meetniveaus
Week 1
Data view
- Kolommen = variabelen
- Rijen = proefpersonen
- Data = de ingevulde gegevens
Variable view
- Kolommen = eigenschappen van de variabelen
- Name = naam van de variabelen
- Type = bestaat de data uit woorden of getallen
- Width = aantal cijfers dat een antwoord kan bezitten
- Decimals = aantal decimalen dat zichtbaar is in de dataview
- Label = uitgebreide beschrijving van de variabele
- Values = wat betekenen de cijfers
- Missing = hier geef je aan welke cijfers betekenen dat de daadwerkelijke waarde niet
bekend is
- Columns = hoe breed is de kolom van de variabele visueel in dataview
- Align = hoe is de tekst uitgelijnd
- Measure = meetniveau van de variabele
Meetniveaus
Een variabele heeft altijd een meetniveau. Er zijn hiervoor vier mogelijkheden:
- Nominaal = uitsluitbare meetniveaus, geen waarde. Voorbeeld: geslacht.
- Ordinaal = rangorde, ordening. Voorbeeld: opleidingsniveau.
- Interval = meetbaar, vergelijkbaar, geen natuurlijk nulpunt. Voorbeeld: temperatuur.
- Ratio = wel een natuurlijk nulpunt. Voorbeeld: lengte.
Meetniveau Voorbeeld Onderschei Volgorde Vaste Vast
d afstand nulpunt
Nominaal Dierennamen Ja - - -
Ordinaal Opleidingsniveau Ja Ja - -
Interval IQ-scores Ja Ja Ja -
Ratio Gewicht Ja Ja Ja Ja
SPSS vanuit excel
Ga naar SPSS en klik op:
- File
- Import data
- Excel
- Open dataset in SPSS
Week 2
Syntax en output
Stel je wilt weten hoeveel respondenten 22 jaar zijn:
1. Klik op Analyze
, 2. Klik op descriptive statistics
3. Klik op frequencies
4. Kies de variabele waarvan je de frequentie wilt weten
5. Klik op paste (niet op ok)
6. Klik vervolgens op het groene pijltje in de syntax (run)
7. Hierna krijg je het antwoord (de output)
Er zijn dus drie schermen van belang:
- Data (input) .sav
- Syntax (analyse) .sps
- Output .spv
Foutieve waarden
Er zijn twee manieren om foutieve waarden te checken:
1. Frequentietabellen
2. Ascending / descending.
1. Rechtermuisknopklik op de variabele
2. Sort ascending of sort descending.
Als je een foutieve waarden hebt gevonden moet je hem aanpassen in de data view naar het
originele antwoord of veranderen in een missing value.
Twee soorten maten:
- Centrummaten = geven aan welke waarde als centrum van een verdeling kan
worden gezien.
- Spreidingsmaten = laten zien in welke mate de waarnemingsuitkomsten onderling
verschillen en afwijken van het centrum. Hoe hoger de spreidingsmaat des te verder
liggen de waarnemingsuitkomsten uit elkaar.
Centrummaten:
- Gemiddelde: het gemiddelde van een reeks waarden is de som van alle waarden
gedeeld door het aantal waarden. Kenmerken zijn:
Houdt rekening met het aantal en de hoogte van de scores
Kan een getal opleveren dat niet in de reeks voorkomt
Is gevoelig voor uitschieters
- Modus: de modus is de waarde met de hoogste frequentie. Kenmerken zijn:
De modus is altijd de top van de grafiek
De modus geeft een snel overzicht van waar de meeste scores zich bevinden
- Mediaan: de mediaan is de middelste score (nadat alle scores zijn geordend van
laag naar hoog). Kenmerken zijn:
De mediaan geeft zicht op ordening
Verdeeld de data 50/50
Let op bij even aantal waarnemingen!
Spreidingsmaten
- Spreidingsbreedte: het verschil tussen de hoogste en de laagste score
- Standaarddeviatie: de gemiddelde afwijking van de waardes tot het gemiddelde
- Variantie: standaarddeviatie in het kwadraat
Samenhang centrum- en spreidingsmaten en meetniveaus