Doel = kennis van de principes van kwantitatief onderzoek
→
Empirisch analytische benadering
-
Tentamen =
40 vier keuze vragen ,
1 casus te 2 open
vragen
•
onderzoeksmethoden H 24m 6 tg
•
effect onderzoeken in de gedragswetenschappen : H2 t/m 6
•
hoorcolleges
Benaderingen van onderzoek : 113
wanneer is een onderzoek wetenschappel k ?
streven naar kennis over versch nselen theorievorming
•
voor
wetenschap is
•
empirische uitspraken →
zintuigl k waarneembaar
systematische theorievorming
systematische benaderingen ( methodologische
spelregels )
•
* toetsbare uitspraken -
controleerbaar -
repliceerbaar
•
voortbouwen op werk van voort ( cumulatief )
gangers
typen onderzoek :
( =
toegepast)
• fundamenteel wetenschappel k onderzoek •
Prakt kgericht wetenschappel k onderzoek
* voor kennis problemen * voor prakt k problemen
* doel :
ontwikkeling / toetsing theorieën * doel : kennis voor
besluitvorming b
prakt k problemen
Empirische cyclus : → fundamenteel onderzoek
I. observatie →
formulering kennis probleem theorie =
een samenhangend stelsel van uitspraken waarmee empirische
wetmatigheden beschreven , verklaard of voorspeld kunnen worden
2 . inductie →
hypothesen globaal ,
* theorie
3. deductie →
hypothese ,
toetsbaar kwalitatief onderzoek :
gegevens in woorden → nadruk fase 1 +2
*
dataverzameling
4. toetsing
kwantitatief onderzoek : gegevens in c fers → nadruk fase 3+4
* data
analyse
5. evaluatie
Deductief nomologisch model -
: specifieke uitspraken afleiden uit algemene uitspraken over de empirische werkel kheid .
* theorie & aannames →
logische toetsbare hypotheses
Probleemstelling en kwantitatieve onderzoeksvragen : H2
wat wil je weten ? =
vraagstelling
• fundamenteel onderzoek : hiaten / tegenstr digheden in de wetenschappel ke kennis
•
prakt kgericht onderzoek : probleem afkomstig van opdrachtgever
vaag / globale weergave van het probleem concretiseren
* →
*
huidige vs .
gewenste situatie
waarom wil je dit weten ? waarom belangr k ? =
doelstelling
•
inzicht te kr gen in . . .
•
relevantie : theoretisch , prakt kgericht of beide
welk theoretisch raamwerk ? a -☐
conceptueel model
concretisering probleem :
vage en globale probleemstelling
overleg met opdrachtgever :
?
•
verheldering probleem inperking ,
•
doelstelling
nieuwe verzamelen ?
•
relevant en uitvoerbaar ?
gegevens
•
•
ethische aspecten ?
doelstelling en concrete onderzoeksvraag
ijij ijijijijijij ij ij ijij
, type globale vraagstellingen typen kwantitatieve onderzoeksvragen
•
frequentievragen hoeveel / hoe vaak
beschr vende vraagstellingen
=
1.
•
verschil vragen in welke mate is er verschil tussen ? →
groepen / voor na
verklarende vraagstellingen causaliteit = -
2. → . . .
in hoeverre is er een relatie tussen ?
3. voorspellende vraagstellingen → causaliteit
•
samenhangvragen = . . . en . . .
Goede kwantitatieve onderzoeksvragen :
relevant & specifiek : verm den :
' '
•
sluit goed aan b de probleem -
en doelstelling
•
waarom -
vragen
'
'
onder 20 kbaar hoe komt het vragen
e.
• •
• -
' '
•
bevat belangr kste kenmerken van het onderzoek • hoe kunnen we -
vragen
•
antwoord meer dan ja / nee •
normatieve / ethische / esthetische vragen
Onderzoeks eenheden en kenmerken : Hz & 114
Onderzoekseenheid :
•
op wie /wat heeft de onderzoeksvraag betrekking ?
→
volgt direct uit onderzoeksvraag → niveau waarop antwoord verwacht wordt
→
vaak respondent ,
soms groepsniveau
→ vaak
regel / r in databestand ,
soms aggregatie nodig
kenmerk ( =
eigenschap s begrip)
•
wat meten ?
ga je
↳ (abstracte) kenmerk / aspect
eigenschap /
→ komen terug in onderzoeksvraag
variabele
•
kenmerk die in concreet meetbare termen is
opgezet
↳
operational iseen
→ kolom in databestand
' '
↳ alle
vragen waarop proefpersonen een score kr gen .
eenvoudig variabele
•
concept : kenmerk → 1
• construct : ingewikkeld kenmerk , abstract / complex begrip → meerdere items/ variabelen → samen nemen
conceptueel model : 1-12 →
weergave van de relaties tussen de kenmerken
theoretisch maatwerk ←☐
conceptueel model ☐→ statistisch model
opgebouwd uit alle kenmerken van de onderzoeksvragen
•
geen onderzoeks eenheden
•
geen waarde / score van kenmerk
type kenmerken
•
afhankel ke kenmerk ( en) (Y )
\ directe
/ kenmerken
•
onafhankel ke kenmerken (×)
•
onafhankel ke controle kenmerken ( 5 variabelen)
)
-
mediator
-
moderator indirecte kenmerken
-
can found e
↳
potentieel verstorend kenmerk ?
brug tussen onderzoeksvraag en statistisch model
ijijij ij ijij ijij
, Hoorcollege 2: onderzoekstype ont werp en storende factoren
Onderzoekstypes : H2 ,
H3
Typen kwantitatief onderzoek 4 evaluatie onderzoek
.
:
1 .
beschr vend onderzoek : ( descriptief ) •
doel : waarde / effectiviteit van ( beleids) , methode of interventie
•
doel :
beschr ven van bepaald fenomeen 1 . summatief = effect evaluatie
•
frequentie onderzoeksvragen 2 .
formatie f =
proces evaluatie
2 . exploreren d onderzoek
•
doel : ontwikkelen en formuleren van theorieën exploratie f onderzoek : tussen fase 21-3 →
empirische cyclus
toetsen d onderzoek : tussen fase 4+5
•
verschil -
of samenhang onderzoeksvragen
•
fishing expedities
3. toetsen d onderzoek
•
doel : toetsen van theorieën
•
onderzoeksvragen met duidel ke onderliggende hypothese
*
wetenschappel ke literatuur
-
theorieën → toetsbare hypothese (s) afleidbaar →
conceptueel model →
statistisch model
-
zelf theorie bouwen met proposities ( logisch zelf verklaring> mechanisme ) → toetsbare hypothese (s)
Onderzoeks ontwerper : 115 ,
116
1. experimenteel onderzoek 2 .
Survey onderzoek
•
verklarende / voorspellende vraagstellingen ( causaliteit ) •
samenhang s -
en verschil (Correlationeel)
'
•
onderzoeker gr pt zelf in .
•
onderzoeker staat langs de z l n
*
manipulatie van × * alleen meten van × -
en er y
* meten van y
→
minder geschikt voor meter causaliteit
causaliteit ( oorzaak -
gevolg verband )
→ vereisten :
→ ✗
gaat vooraf aan 4
→ oorzaak en gevolg hangen samen : ✗ -
4
→
geen se variabele in het spel
Zuiver experiment : Hb
rondom toew zing aan experimentele of controlegroep voor start interventie
random isatie :
•
op basis van toeval individuele deelnemers aan condities ( experimenteel / controle) toew zen
b grote groepen ( steekproef) :
•
-
achtergrondkenmerken gel k verdeeld over condities , niet meer een storende factor
bedreigen interne validiteit van onderzoek
•
selectie : verschil groeps samenstelling •
placebo effect → blind een respondent
•
r ping : verschil in ontwikkeling tussen groepen
•
proef leider effect ( experiment er = -
effect) → blind een test leider
• externe voorvallen :
t dens interventie periode .
hawthorne effect - : interventie + aandacht → blind een externe betrokkenen
• instrumentatie -
effect : verschil in meetmethode
•
test effect : herhaald meten met gel ke test
•
verspreiding : besmetting controlegroep
• uitval : moraliteit in de
groep → komt dit door interventie
Solomon -
vier groepen ontwerp
↳
sprake van causaliteit ? wat is het test effect ?
2 ✗ experimentele groep
2x controlegroep
ijijijijij ijijij
ij