Zelfstandig werkwoord ZWW
Koppelwerkwoord KWW Zijn, worden, blijven,
blijken, lijken, schijnen,
heten, dunken en
voorkomen.
Hulpwerkwoord van tijd HWWT Drukken uit dat iets
afgelopen is (voltooide
tijd): hebben en zijn
Hulpwerkwoord van HWWM Drukken uit dat iets zeker
modaliteit of onzeker is: kunnen,
zullen, mogen, moeten,
laten, willen + schijnbare
koppelwerkwoorden
Hulpwerkwoord van aspect HWWA Drukken uit dat iets
begint of voortduurt.
Beginnen: gaan en
komen
Voortduren: zijn, blijven,
zitten, lopen, staan,
hangen,
Hulpwerkwoord van HWWC Drukken uit dat iets
causaliteit wordt veroorzaakt door
iets: doen en laten
Hulpwerkwoord van de HWWLV Leggen focus op de iets
lijdende vorm of iemand die de
handeling ondergaat:
zinnen die in de lijdende
vorm staan!
Bepaald lidwoord BepLW De, het
Onbepaald lidwoord OnbepLW Een
Zelfstandig naamwoord ZN
Persoonlijk voornaamwoord PersVNW Ik, je, jij, jou, me, mij, u,
hij, zij, wij, ons, jullie, zij
(meervoud), hem, haar,
hen, hun en het
Bezittelijk voornaamwoord BezVNW M’n, mijn, mijne, je,
jouw, jouwe, uw, z’n, d’r,
zijn, zijne, haar, hare,
ons, onze, jullie en hun
Wederkerend WederkerendVNW Zich + werkwoord: zich,
voornaamwoord je, me, ons en u
Wederkerig voornaamwoord WederkerigVNW Elkaar, elkander en
mekaar
Aanwijzend voornaamwoord AanwVNW Die, dat, dit, deze,
degene, diegene,
datgene, zulk, zulke en
zo’n
Koppelwerkwoord KWW Zijn, worden, blijven,
blijken, lijken, schijnen,
heten, dunken en
voorkomen.
Hulpwerkwoord van tijd HWWT Drukken uit dat iets
afgelopen is (voltooide
tijd): hebben en zijn
Hulpwerkwoord van HWWM Drukken uit dat iets zeker
modaliteit of onzeker is: kunnen,
zullen, mogen, moeten,
laten, willen + schijnbare
koppelwerkwoorden
Hulpwerkwoord van aspect HWWA Drukken uit dat iets
begint of voortduurt.
Beginnen: gaan en
komen
Voortduren: zijn, blijven,
zitten, lopen, staan,
hangen,
Hulpwerkwoord van HWWC Drukken uit dat iets
causaliteit wordt veroorzaakt door
iets: doen en laten
Hulpwerkwoord van de HWWLV Leggen focus op de iets
lijdende vorm of iemand die de
handeling ondergaat:
zinnen die in de lijdende
vorm staan!
Bepaald lidwoord BepLW De, het
Onbepaald lidwoord OnbepLW Een
Zelfstandig naamwoord ZN
Persoonlijk voornaamwoord PersVNW Ik, je, jij, jou, me, mij, u,
hij, zij, wij, ons, jullie, zij
(meervoud), hem, haar,
hen, hun en het
Bezittelijk voornaamwoord BezVNW M’n, mijn, mijne, je,
jouw, jouwe, uw, z’n, d’r,
zijn, zijne, haar, hare,
ons, onze, jullie en hun
Wederkerend WederkerendVNW Zich + werkwoord: zich,
voornaamwoord je, me, ons en u
Wederkerig voornaamwoord WederkerigVNW Elkaar, elkander en
mekaar
Aanwijzend voornaamwoord AanwVNW Die, dat, dit, deze,
degene, diegene,
datgene, zulk, zulke en
zo’n