Aardrijkskunde hoofdstuk 1
De Verenigde Staten in beeld.
Paragraaf 1: Klimaat en landschap.
Theorie:
▫ Wat de invloed is van de breedteligging op de temperatuur in de VS
▫ Wat de invloed is van aan- en aflandige winden op de temperatuur en de neerslag in de VS
▫ Wat de invloed is van de ligging van gebergten op de temperatuur en de neerslag in de VS
▫ Welke klimaten en landschappen voorkomen in de VS
Klimaat factor 1: breedteligging.
-Evenaar = 0 graden. Hoe meer graden, hoe kouder het wordt.
-Graden worden opgedeeld in minuten en seconde.
-In het noorden is het kouder dan in het zuiden.
-Vanaf het oosten wordt het steeds droger en hoger naar het westen toe.
Erosie: door een vervoersmiddel (water of wind), brokkelt het gebergte af.
Verwering: het gebergte brokkelt af door het weer (het verschil tussen warm en koud).
Jaaramplitude: het verschil tussen de gemiddelde temperatuur in de warmste en de koudste maand
van het jaar.
Klimaat factor 2: herkomst van de wind.
Aanlandige wind: wind vanaf zee (zeewind)
Aflandige wind: wind vanaf land (landwind)
Noordelijke deel: zeeklimaat – koele zomers zachte winters
Zuidelijke deel: Middellandse Zee klimaat – warme, droge zomers en milde winters met neerslag.
Zuidoosten: zeeklimaat – broeierige warme zomers, zachte winters. Valt meer regen dan in seattle.
Warme, vochtige wind van de Golf van Mexico.
Noordoosten: landklimaat – koude winters (door de wind van het noorden), warme zomers (door de
wind van het zuiden)
Klimaat factor 3: reliëf.
-Het westelijke deel van het land is bergachtig, het oostelijke deel is vrij vlak (uitzondering
Appalachen).
- De ligging van gebergten heeft invloed op de neerslag.
▫ Coast ranges:
- westkant = loefzijde met stuwingsregen.
- oostkant = lijzijde met regenschaduw.
-> Central Vally = smalle vallei in de regenschaduw - veel irrigatie landbouw.
▫ Great Basin (grote bekken)
- woestijn- en steppeklimaat.
- in de regenschaduw van Sierra Naveda en Cascade Range.
- hoogvlakte met kale rotsen, dorre graspollen en cactussen.
,▫ -Great Plains:
- hoogvlakte
- prairiegrassen (steppe)
- wheat belt (tarwe gordel, gordel is strook)
- extensieve veeteelt.
- ligging tussen Rocky Mountains en Appalachen.
- weinig invloed oceaan.
▫ Centrale hoogvlakte:
- laagvlakte=
- minder droog dan Great Plains.
- cornbelt (maisgordel, gordel is strook).
- ligging tussen Rocky Mountains en Appalachen.
- weinig invloed oceaan.
▫ Rocky Mountains:
- hooggebergte.
- kenmerken:
-> jong gebergte
-> spitse bergtoppen
-> hoger dan 4000m
-> eeuwige sneeuw.
▫ Appalachen:
- middelgebergte.
- kenmerken:
-> oud gebergte
-> afgeronde bergtoppen
-> 500 – 1500m hoog.
, Werkboek:
-W2: topografie
W3: W4:
W5:
New Orleans Cf. Los Angeles Cs Phoenix BW Minnapolis DF
De Verenigde Staten in beeld.
Paragraaf 1: Klimaat en landschap.
Theorie:
▫ Wat de invloed is van de breedteligging op de temperatuur in de VS
▫ Wat de invloed is van aan- en aflandige winden op de temperatuur en de neerslag in de VS
▫ Wat de invloed is van de ligging van gebergten op de temperatuur en de neerslag in de VS
▫ Welke klimaten en landschappen voorkomen in de VS
Klimaat factor 1: breedteligging.
-Evenaar = 0 graden. Hoe meer graden, hoe kouder het wordt.
-Graden worden opgedeeld in minuten en seconde.
-In het noorden is het kouder dan in het zuiden.
-Vanaf het oosten wordt het steeds droger en hoger naar het westen toe.
Erosie: door een vervoersmiddel (water of wind), brokkelt het gebergte af.
Verwering: het gebergte brokkelt af door het weer (het verschil tussen warm en koud).
Jaaramplitude: het verschil tussen de gemiddelde temperatuur in de warmste en de koudste maand
van het jaar.
Klimaat factor 2: herkomst van de wind.
Aanlandige wind: wind vanaf zee (zeewind)
Aflandige wind: wind vanaf land (landwind)
Noordelijke deel: zeeklimaat – koele zomers zachte winters
Zuidelijke deel: Middellandse Zee klimaat – warme, droge zomers en milde winters met neerslag.
Zuidoosten: zeeklimaat – broeierige warme zomers, zachte winters. Valt meer regen dan in seattle.
Warme, vochtige wind van de Golf van Mexico.
Noordoosten: landklimaat – koude winters (door de wind van het noorden), warme zomers (door de
wind van het zuiden)
Klimaat factor 3: reliëf.
-Het westelijke deel van het land is bergachtig, het oostelijke deel is vrij vlak (uitzondering
Appalachen).
- De ligging van gebergten heeft invloed op de neerslag.
▫ Coast ranges:
- westkant = loefzijde met stuwingsregen.
- oostkant = lijzijde met regenschaduw.
-> Central Vally = smalle vallei in de regenschaduw - veel irrigatie landbouw.
▫ Great Basin (grote bekken)
- woestijn- en steppeklimaat.
- in de regenschaduw van Sierra Naveda en Cascade Range.
- hoogvlakte met kale rotsen, dorre graspollen en cactussen.
,▫ -Great Plains:
- hoogvlakte
- prairiegrassen (steppe)
- wheat belt (tarwe gordel, gordel is strook)
- extensieve veeteelt.
- ligging tussen Rocky Mountains en Appalachen.
- weinig invloed oceaan.
▫ Centrale hoogvlakte:
- laagvlakte=
- minder droog dan Great Plains.
- cornbelt (maisgordel, gordel is strook).
- ligging tussen Rocky Mountains en Appalachen.
- weinig invloed oceaan.
▫ Rocky Mountains:
- hooggebergte.
- kenmerken:
-> jong gebergte
-> spitse bergtoppen
-> hoger dan 4000m
-> eeuwige sneeuw.
▫ Appalachen:
- middelgebergte.
- kenmerken:
-> oud gebergte
-> afgeronde bergtoppen
-> 500 – 1500m hoog.
, Werkboek:
-W2: topografie
W3: W4:
W5:
New Orleans Cf. Los Angeles Cs Phoenix BW Minnapolis DF