1. Inleiding
1.1 Terminologie: duidelijk kunnen omschrijven, een definitie
of een synoniem kunnen geven:
Termen Uitleg
Actief transport De actieve opname of afgifte van opgeloste
stoffen door een celmembraan
Actine Eiwitonderdeel van microfilamenten: vormt
dunne filamenten in skeletspieren en brengt
contracties teweeg van alle spieren door middel
van een reactie van dikke filamenten
Anticodon Triplet van stikstofhoudende base op een tRNA
dat met het juiste cordon op een streng mRNA
kan gaan binden
Apoptose Het genetisch reguleerde afsterven van cellen
Bacteriën Eencellige micro – organisme, waarvan
sommige soorten ziekteverwekkers zijn; komen
veel voor in de omgeving
Autolyse Vernietigen van een cel doordat de membranen
van de lysosomen in het cytoplasma van een cel
barsten
Cel Het kleinste eenheid in het menselijk lichaam
Cel differentiatie Het geleidelijk ontstaan van karakteristieke cel
specialisaties tijdens de ontwikkeling als gevolg
van activeren van genen of onderdrukken van
genen
Cilium/cilia Een dun organel dat boven het vrije oppervlak
van een dekweefsel uitsteekt ook wel trilhaar
genoemd
Codon Een volgorde van drie stikstofhoudende basen
langs een mRNA – streng die de plaats van één
aminozuur in een eiwitketen specificeert
Concentratiegradiënt Plaatselijke verschillen in de concentratie van
een bepaalde stof
Co transport Membraantransport van een voedingsstof,
tergelijkertijd met de verplaatsing van een ion,
meest natrium voor het vervoer is een
dragereiwit nodig ( zonder ATP)en kan ongeacht
de concentratiegradiënt van de vloeistof
plaatsvinden
Pinocytose opname van vloeistofdruppels met daarin
opgeloste stoffen
Fagocytose opname van vaste deeltjes vb. bacterie
, 2. Kunnen opsommen en/of uitleggen in de juiste
terminologie + ook de terminologie zelf kunnen
omschrijven of er een duidelijke definitie van
kunnen geven:
2.1 De cel
1. Celmembraan of celwand
2. Cytoplasma / organellen ( het materiaal tussen het celmembraan en het kernmembraan )
3. Celkern ( celorganel dat DNA, RNA en eiwitten bevat)
2.2 De celmembraan
Bepreek de chemische bouw van een celmembraan?
Vetten ( lipiden)
Koolhydraten
Eiwitten ( proteïnen)
Elk membraan is opgebouwd uit drie verschillende moleculen:
o Koolhydraten/suikers :enkel te vinden op buitenste zijde van de celmembraan.
Bestaat uit ketens van monosachariden
o Lipiden/ vetten: een dubbele laag van fosfolipidenmoleculen (vetmoleculen met
telkens een fosfaatgroep eraan gebonden). Bestaat uit glycerol en vetzuren
o Proteïnen/eiwitten: in de fosfolipiden dubbellaag zitten membraaneiwitten
ingewerkt. Er zijn 6 verschillende soorten membr aaneiwitten. Bestaat uit
aminozuren
Welk is de respectievelijke functie van:
Lipiden in de celmembraan?
o Lipiden in de celmembraan liggen in een fosfolipide dubbellaag. Met de hydrofiele
koppen aan de buitenzijde en de hydrofobe vetstaarten aan de binnenzijde.
☼ De hydrofobe vetstaarten zullen zich niet met waterstof geladen moleculen
mengen, dankzij deze kenmerken kan de plasmamembraan als een selectieve
fysieke barrière werken.
☼ De hydrofiele koppen van de twee lagen staan in contact met de
wateromgeving aan beide zijden van het membraan
De extracellulaire vloeistof buiten de cel
De intracellulaire vloeistof binnen de cel
Koolhydraten in de celmembraan?
o de koolhydraatgedeelten fungeren als smeer- of kleefmiddel voor de cel. Ze werken
als receptor voor extracellulaire verbindingen, ze maken deel uit van het
herkenningssysteem waardoor het immuunsysteem geen lichaamseigen cellen of
weefsels aanvalt.
Eiwitten in de celmembraan?