INLEIDING
Interventielogica’s = de verwachting dat mensen (cliënten) luisteren, meewerken en met
de interventies aan de slag gaan niet altijd het geval met als gevolg:
uit-/opsluitingsdynamiek
INTERVENTIEGRONDEN
Als pedagogen en sociaal werkers komen we in de jeugdhulp actueel tussen o.b.v.
volgende interventiegronden:
A. Op vraag van kinderen en/ of ouders: “het lukt niet meer in de opvoeding”
B. VOS: verontrustende opvoedingssituatie: extern gedefinieerd door de
samenleving, vroeger POS
Ontwikkelingskansen en/ of de psychische, fysieke of seksuele integriteit van
een minderjarige of van gezinsleden wordt aangetast
C. MOF: als misdrijf omschreven feit, situaties die we norm overtredend achten
a. Minderjarigen zijn juridisch niet strafrechtelijk verantwoordelijk, vandaag:
“als misdrijf omschreven”
b. Wanbedrijven: 7 dagen tot 5 jaar gevangenis
c. Overtredingen: boete, waarschuwing
d. Misdaad: gevangenis voor zware feiten (moord, slagen en verwondingen,
…)
labels kunnen veranderen doorheen de opvolging
ARRANGEMENTEN
Deze interventies zijn georganiseerd in specifieke arrangementen van jeugdhulp en
voornamelijk geregeld via het decreet integrale jeugdhulp (2013) en het decreet
jeugddelinquentierecht (2019) (gemeenschapsmaterie)
A. Interventies kunnen vrijwillig (buitengerechtelijk) of gedwongen (gerechtelijk) zijn
a. Vb: thuisbegeleiding, vaardigheidstraining, opname, sanctie vaak toch
onder vorm van dwang (uit angst rechter)
B. Interventies kunnen ambulant, semi-ambulant en residentieel zijn
a. Vb: hulp aan huis, momenten van opname én thuisbegeleiding, opname in
residentie met overnachting
Soms kan gerechtelijk zelf bevrijdender werken, want kunnen we wel echt spreken van
vrijwillige interventie? De rechter zegt waar het op staat en kan soms helpen in de
hulpverlening.
HUIDIGE STELSEL VAN DE JEUGDHULP IN VLAANDEREN
Zie extra blad
1
,VOORUITGANG?
Idee van vooruitgang is achterhaald. Niet dat er niets is veranderd, maar die ontwikkeling
is veel minder rechtlijnig dan ze voorgesteld wordt en we zien vaak terugkerende
verhalen van (negatieve) ervaringen. Enkele kernwoorden die we vaak gebruiken zijn:
empowerment, vraaggestuurd werken, op maat werken, participatie, kinderrechten,..
EEN AANTAL VASTSTELLINGEN
A. Gebrek aan transparantie
a. Jongeren en ouders weten niet wat hen overkomt (niet dat het nooit is
uitgelegd, maar we moeten ons de vraag stellen of ze de uitleg begrepen
hebben)
b. + vaak wordt gelogen over duur van hulp en criteria voor terugkeer kind
B. Gebrek aan participatie
a. Veel schijnparticipatie, maar gebeurt er werkelijk iets met wat de cliënten
gezegd hebben?
C. Gebrek aan continuïteit
a. Breuken, nieuwe trajecten
D. Selectiviteit en ongelijke interventies t.a.v. arme gezinnen
a. We komen tussen maar problematiseren de armoede zelf niet
PROBLEEM VAN IMPLEMENTATIE
De discussies gaan vaak over de uitvoering van beleidmaatregelen en niet het beleid zelf
A. Te weinig middelen
a. Wachtlijsten, uitval hulpverleners
B. We werken te versnipperd
a. Nood aan netwerken, niet genoeg samenwerking
C. Niet genoeg goede methodieken
a. Meer evidence-based werken
D. We komen niet vroeg genoeg tussen
a. Preventie en detectie
dit zet inderdaad druk op de werking en maakt het moeilijker, maar er is meer aan de
hand dan enkel de uitvoering ervan. Zolang we de logica’s niet veranderen, blijven we
zoeken naar beperkte oplossingen en zal er niets veranderen/verbeteren
jeugdhulp als ‘oplossing’: “wij” gaan het probleem oplossen; probleem aan oplossing
matchen
VERSCHILLENDE BENADERINGEN ROL PROFESSIONAL
CAPACITEITSPROBLEEM – ESSENTIALISTISCH
Het idee dat we via de ‘juiste’ diagnose, het probleem ‘juist’ kunnen definiëren om dan
via de ‘juiste’ methode het ‘juiste’ antwoord te kunnen geven dat moet leiden tot het
‘juiste’ resultaat
2
,Essentialisatisch = wij kunnen weten wat het probleem is Zit ingebed in het
vooruitgangsdenken (we ontwikkelen steeds betere diagnostiek, methodiek)
Non-communicatieve pedagogiek
Is een gevolg van essentialistisch denken, kan zeer contraproductief zijn. Een professional
wordt uitvoerder van methodieken, die moéten slagen (diagnosticeren zonder actief om
te gaan met de mensen waarover ze het hebben). De wijze waarop we tussenkomen is
enorm belangrijk!
DE PROFESSIONAL ALS DRAGER VAN INTERVENTIES
We moeten overgaan naar een constructivistische benadering. Niet hét probleem maar
steeds de context betrekken. voortdurend reflecteren “waar komen wij intussen, wat
betekent het als een diagnostiek wordt gesteld?
Bv. bezorgde moeder met huisvestingsproblemen i.p.v. een slechte moeder groot
verschil!!
Constructies
= besef dat de wijze waarop we problemen benoemen onze tussenkomst, onze visie op
opvoeding en delinquent gedrag,… NIET NEUTRAAL zijn
A. Tijdsgebonden
a. Vroeger was spijbelen een MOF, nu zien we het al als een VOS
B. Contextgebonden
a. Druggebruik in rijk gezin wordt anders geproblematiseerd dan bij een arm
gezin
C. Perspectiefgebonden
a. Een pedagoog zal een andere blik hebben op een situatie dan een
psycholoog of criminoloog
Constructivisme betekent dus geen relativisme, maar de noodzaak om kritisch te blijven
kijken naar de eigen uitgangspunten en de context waarin hulp wordt verleend.
EVIDENTIES DECONSTRUEREN
Een kritische benadering van jeugdrecht en jeugdhulp betekent dat we de evidenties in
de logica’s die in het tussenkomen aanwezig zijn ook in de praktijk deconstrueren en in
vraag stellen Hierbij is er nood aan:
A. Maatschappelijk perspectief: problemen worden gedefinieerd in een niet evidente
relatie tussen het individu en de samenleving
a. Vb: waarom zijn opvoedingsproblemen opvoedingsproblemen?
i. Moeder heeft geen geld voor benzine en kan dus niet op bezoek
komen bij dochter in instelling; zijn dit opvoedingsproblemen of
armoedeproblemen?
B. Een historisch perspectief: continuïteit en discontinuïteit i.p.v. enkel vooruitgang
CENTRALE VRAAGSTELLING
3
, Vanuit welke maatschappelijke en professionele logica’s wordt, historisch en actueel,
ingegrepen op de situatie van ouders en kinderen en wat betekent dit voor ouders en
kinderen? We kunnen hier 2 spanningen in deze logica’s onderscheiden
A. Jeugddelict en VOS als opvoedings-/gedragsprobleem vs maatschappelijk
probleem
a. Het gezin als “koningin” en “gevangene” van de jeugdhulp en
jeugdbescherming
i. problemen worden vaak gedefinieerd als opvoedings-of
gezinsproblemen maar zijn vaak van maatschappelijke aard en MEN
WEET DAT
b. De hardnekkigheid van de opvatting van het gezin als veilige haven
c. Oog voor maatschappelijke problemen in relatie tot opgroeien en
opvoeding
B. Interventierecht vs recht op hulp
a. Opvoeding als wederzijds leerproces en tegensprekelijke activiteit (recht op
hulp) dan wel als extern geproblematiseerd (interventierecht) ?
i. Vb: de manier waarop diagnostiek wordt ingezet: inzetten als
extreme diagnostiek (probleem definiëren door expert en aan
persoon werken) versus recht op hulp: handelingsgerichte
diagnostiek als participatief gesprek met ouders en kinderen
SPANNINGSVELDEN
Voortdurend spanningsvelden met historisch en actueel ontsnappingspogingen en
terugslagbewegingen (continuïteit en discontinuïteit) dat voortdurend terugkomt
Vb: ontsnappen: kritische praktijken, nieuwe praktijken: veel nadruk op plaatsing van
kinderen kritische beweging waardoor andere hulpverleningen werden ontwikkeld
Vb: terugslag: meer nadruk op risico’s en dwang: secundaire deviantie (criminaliteit die
ontstaat door tussenkomst/ dwang)
1. VAN JEUGDBESCHERMING NAAR RECHT OP HULP
BELANG VAN EEN HISTORISCHE KADERING
We zitten formeel gezien in een vooruitgangsbeweging: van interventierecht naar recht
op hulp gegaan doorheen de geschiedenis, maar oude logica’s blijven nog steeds
doorwerken of komen terug. We hebben nood aan een historisch besef als
achteruitkijkspiegel om het ongenuanceerd vooruitgangsperspectief tegen te gaan.
GROTE ETAPPES IN DE JEUGDHULP
Non-delinquentie Delinquentie Centrale Discours
noties interventierecht –
recht op hulp
Wet Wet kinderbescherming Pre- Interventierecht:
kinderbescherming 1912 delinquentie sterk moraliserend
1912 en dwang
Wet Wet jeugdbescherming Kind in gevaar Meer nadruk op
jeugdbescherming 1965 participatie van
1965 ouders, maar met
4