Geschiedenis van het
Publiekrecht
Christophe Maes
Cami Van Heester
2025-2026
, DEEL 1: STAAT & RECHT
HOOFDSTUK 1: HET MODERNE STAATSBEGRIP
1. Inleiding
Hoe regelen we de manier waarop we onszelf besturen? Hoe het samenleven structuren en waarom?
‘regelen’ → ‘regels opstellen’ → veronderstelt norm = recht of beter gezegd: PUBLIEKRECHT
Publiekrecht verschilt per staat maar gemeenschappelijke elementen in bestuur van staten:
1. legitimiteit (om de mensen te besturen): bestuurders – bestuurden.
= verschilt van staat tot staat + verschillen in ontwikkeling: geen uniform model
2. representatief regime, waarbij bevolking zich kan laten vertegenwoordigen, constante drang
= meest gangbaar bestuurlijk model van meeste staten maar geen ‘vaste
waarde’/vanzelfsprekend gegeven: bestuurder vertegenwoordigt bestuurden
Essentiële problematiek publiekrecht: hoe onszelf besturen zodat we vrij blijven?
→ spanningsveld
Collectief: een meerderheid en minderheid -> meerderheid beslist
Hoe rechten bewaren en ervoor zorgen dat een democratische meerderheid de rechten en
belangen van de minderheden niet miskent?
Leunt aan bij de liberale staat = onze staat vandaag
2. De idee van ‘de staat’
Uitgangspunt: iets/iemand nodig om samenleven te waarborgen & chaos en geweld verhinderen, meer
bewust van nood aan pacificatie door heerser/instelling met gezag
= persoon /instelling met macht om bevelen op te leggen, wetten te maken en geweldmonopolie
te beheersen
Theorie nodig → conceptie van ‘de staat’
= wie/wat als staat beschouwen en waarom: afhankelijk van welk standpunt men inneemt:
Middeleeuwen / Vroegmoderne geschiedenis / Moderne geschiedenis
Moderne staat = opvolger ME standenvertegenwoordiging en leenrecht
Samenleving:
o Drie standen: clerus, zij die bidden / ridders, zij die strijden / derde stand, zij die werken
o Vertegenwoordigers van deze groepen vormen samen “de natie”
o Mate van autonomie verschilt per gebied of stad
1. o Vorst regeert bij gratie Gods, in een contractuele verhouding met de drie standen
Middeleeuwen = Gods gewilde orde
- Mediëvisten: = Wanneer de vorst dit contract verbreekt (vb tirannie)
476-1453 → recht op verzet, collectieve weerstand, weerstandsrecht
Contractuele opvatting: leenrecht
o Relatie leenheer–leenman (10e–18e eeuw)
= Vorst geeft leen in ruil voor steun (raad en daad)
o Evolutie van persoonlijke (privaatrechtelijke) naar publiekrechtelijke verhouding
▪ Gevolg: territoriale versnippering door achterleen
, Liberale staten = opvolgers vroegmoderne staat
Ontwikkeling naar soevereiniteit: vorstelijke machtsconsolidatie → ontstaan van de centrale staat
2. o 16e–17e eeuw: religieuze spanningen → verzwakking band tussen religie en publiekrecht
Vroegmoderne ▪ Macht wordt exclusief bij de vorst gelegd en tegelijk bij volksvertegenwoordigers
/ Nieuwe
geschiedenis o 17e eeuw: verdere uitwerking van het idee van de “état souverain”
17 eeuw
e
= Staat zonder hogere macht boven zich – soevereiniteit van de wetgever
o Ook aangeduid als republiek, res publica (de politieke gemeenschap).
o Begrip “natie” ontstaat in de 17e eeuw, maar krijgt pas juridische betekenis vanaf
de Franse Revolutie
Staat begrepen als liberale staat:
• Democratisch verkozen bestuurders
- rechtstreeks
- onrechtstreeks
• Machtenscheiding
- wetgevende macht
- uitvoerende macht
3. Moderne / - rechterlijke macht
Hedendaagse
geschiedenis
19e eeuw • Staat zelf onderworpen aan het recht
- overheid maakt normen
- overheid gebonden door diezelfde normen
• Individu beschikt over onvervreemdbare rechten en vrijheden
- via (grond)wetsbepalingen (bv. eeuwigheidsclausules)
- via instellingen
= constitutioneel (machtenscheiding)
= buiten-constitutioneel (pers als ‘waakhond’)
, 3. De notie ‘soevereiniteit’
Drie componenten van ‘de staat’: Deze 3 punten komen neer op het hebben van:
o Beschikken over grondgebied o Externe soevereiniteit
o Bevolking op dat grondgebied o Interne soevereiniteit
o Overheidsinstellingen met gezag en
erkenning
• Erkenning door andere staten
Externe
• Niet onderworpen aan andere staat
soevereiniteit
▪ kwestie van internationaal recht
Hoogste macht op een territorium een gemeenschap te beheersen om continuïteit/cohesie van
de samenleving te garanderen
• Veronderstelt:
- Vermogen om zichzelf te organiseren
- Staatswil > wil van alle andere morele en fysieke personen
- Staatsmonopolie op het creëren van recht en op (legitiem) geweld
= Gezag en controle op bevolking
Interne • Verplichtingen en verwachtingen om legitiem te blijven:
soevereiniteit - Administratief bestuur en handhaving openbare orde
- Recht spreken
- Nationale defensie
- Geld slaan
• Soevereiniteit = centraal idee in politieke denken maar ook in het publieke recht
- Internationaal: garanties voor niet-inmenging, via verdragen
- Nationaal: regeling die bepaalt hoe soevereiniteit wordt uitgeoefend, welke
instellingen macht hebben en hoe ze worden gecontroleerd, via Grondwet
2 facetten van dezelfde munt: interne en externe = moeilijk van elkaar los te zien
• Via soevereiniteit zal men gaandeweg de democratisering van de staat theoretiseren
• Geen interne soevereiniteit = moeilijk om externe soevereiniteit te laten erkennen
▪ Geen externe, veel impact op interne (chaos..)