Clips en hoorcolleges Persoonlijkheidsleer - 2021
Clip 1 Angst en afweermechanismen
Angst speelt een grote rol in de psychoanalytische theorie. Het idee hierbij is dat angst in
grote mate ons gedrag stuurt. Allereerst is er angst voor de buitenwereld, ook wel reële
angst genoemd. Dit uit zich vaak in vermijdingsgedrag. Daarnaast is er angst voor de
impulsen van het Id en de eisen van het Superego. Dit zijn angsten die betrekking hebben op
de binnenwereld.
Neurotische angst: angst om controle te verliezen over impulsen van het Id met als gevolg
afkeuring of straf door anderen. Een angst om sociale normen te overtreden.
Morele angst: schuld en schaamte met als gevolg afkeuring door eigen geweten. Het idee
dat het niet lukt om eerst een de wensen van anderen te denken, terwijl je wel vindt dat dit
eigenlijk zou moeten.
Als mensen een te grote mate van angst ervaren dan gebruikt het ego
vervormingstechnieken (vervormen van de werkelijkheid) om de angst te verminderen. Dit
noem je afweermechanismen.
Ongezonde afweermechanismen:
- Ontkenning: weigeren realiteit te erkennen (onbewust proces)
- Projectie: eigen fouten/gevoelens aan anderen toeschrijven
Neurotische afweermechanismen:
- Repressie: ongewenste gedachten/ gevoelens onderdrukken (onbewust maken)
- Verschuiving: frustratie, gevoelens afreageren op anderen
- Regressie: gedrag vertonen eerder ontwikkelingsstadium (minder
verantwoordelijkheid)
- Rationalisatie: gebruik van onjuiste, maar logische verklaringen voor fouten/ zwaktes
- Reactieformatie: onacceptabele impuls vervangen door het tegenovergestelde
(bijvoorbeeld iemand die zelf homoseksueel is en die zich heel sterk uitspreekt over
het tegen homo’s zijn)
- Intellectualisatie: emotioneel onderwerp op kille, rationele manier benaderen
- Identificatie: zwaktes verbergen door het imiteren van een rolmodel
Gezonde afweermechanismen: realiteit wordt niet plezierig gevonden maar wel
geaccepteerd.
- Sublimatie: impuls wordt omgebogen naar een acceptabele uitgangsvorm
(bijvoorbeeld een rondje lopen om van je boosheid af te komen)
- Afleiding: tijdelijk afleiding zoeken
- Humor: niet veel vervorming, wel ontlading van spanning
,2
Hoorcollege 1 Inleiding en het intrapsychische domein (Wieke de Vente)
Persoonlijkheid: het totaal van eigenschappen, karaktertrekken, overtuigingen en
gedragingen dat een mens tot een uniek individu maakt.
Personality Psychology: een verzameling van psychologische kenmerken en mechanismen in
het individu die georganiseerd zijn en relatief stabiel, en die zijn of haar interacties met en
aanpassing aan de intrapsychische, fysieke en sociale buitenwereld beïnvloeden.
- Psychologische kenmerken: eigenschappen, attituden.
- Psychologische mechanismen: cognitieve processen (bijvoorbeeld aandachts- of
geheugenprocessen).
- Georganiseerd zijn: samenhangen en dynamisch gestuurd.
- Relatief stabiel zijn: over situaties – consistentie over tijd – continuïteit.
Interacties met buitenwereld
- Perceptie: Bijvoorbeeld iemand die optimistisch is die zal een glas als half vol zien en
iemand die pessimistisch is die zal een glas als halfleeg zien.
- Selectie: Je persoonlijkheid stuurt ook wat je doet, bijvoorbeeld in je vrije tijd of je
een avontuurlijke vakantie kiest of een zonvakantie.
- Evocatie: Gaat om wat je gedrag bij anderen oproept.
- Manipulatie: Meer doelbewust gedrag om anderen te beïnvloeden.
Aanpassing binnenwereld en omgeving
- Coping en aanpassingsvermogen
Sociale gerichtheid – drie niveaus
1. Menselijke aard (kenmerken voor de soort ‘mens’)
2. Individuele en groepsverschillen (tussen mensen en groepen)
3. Individuele uniekheid (bijvoorbeeld iemand zijn persoonlijke manier van het uiten
van genegenheid)
6 domeinen
1) Dispositionele domein: richt zich op basale eigenschappen
2) Biologische domein: richt zich op het genetische, psychofysiologische en het
evolutionaire
3) Intrapsychische domein: richt zich op mentale processen
4) Cognitief-experientele domein: richt zich op cognities en subjectieve ervaringen
5) Sociale en culturele domein: richt zich op wederzijdse beïnvloeding
6) Aanpassingsdomein: richt zich op gezondheid en psychopathologie
Standaarden
- Volledigheid: hoeveelheid fenomenen en observaties met betrekking tot
persoonlijkheid verklaren
- Heuristische waarde: kader voor nieuwe bevindingen
- Toetsbaarheid: voorspellingen voor empirische toetsing?
- Verenigbaarheid en integratie met andere kennis
- Zuinigheid: compactheid, weinig aannamen
, 3
Hoe kun je persoonlijkheid meten?
- Observaties: bekenden of getrainde onderzoekers
- Gestandaardiseerde testen: apparaten, vragenlijsten, projectieve technieken
- Levenskenmerken - publiekelijk beschikbaar: trouwen, kinderen krijgen,
opleidingsniveau, loopbaan, lidmaatschap sportclub
Typen theorieën
- Elkaar uitsluiten versus aanvullen
- Ontwikkelingstheorie versus non-ontwikkelingstheorie
- Stadiumtheorie versus continue ontwikkelingstheorie
- Voornamelijk beschrijvend versus verklarend
- Stabiliteit versus veranderlijkheid
Persoonlijkheidstrekken van ouders = een relevante context factor
- Kunnen opvoedingsgedrag voorspellen
- Kunnen een aandachtspunt zijn in communicatie en ouder-gerichte interventies
Sigmund Freud
- Onbewuste invloeden – irrationeel gedrag
- Ontwikkeling door oplossen van conflicten
- Psychoseksuele ontwikkeling
Structurele opbouw persoonlijkheid
- Id: primitieve, biologische impulsen (seks en agressie), levensenergie; libido, pleasure
principle; gericht op behoeftebevrediging, impulsief en gericht op plezier
- Ego: realistisch, reguleert Id en Superego, reality principle; wel bewust van anderen,
stemt af op de realiteit, op de buitenwereld.
- Superego: geïnternaliseerde normen en ideale-ik, gewetensfunctie, perfectionistisch
Evidentie aanname: Ego, Id, Superego gesloten systeem. Ego zorgt voor regulatie en
zelfcontrole.
Hypothese van Freud: Energie gebruikt voor zelfcontrole is beperkt, raakt op (Ego-depletie).