Uitspraak: Hof Arnhem-Leeuwarden 10 februari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026;778.
Student: Emilie C. Glazemakers
S1152924
Datum: 13/04/2026
, 1. In het arrest van het gerechtshof tenzij-bepaling brengt mee dat een
Arnhem-Leeuwarden van 10 februari 2026 tekortkoming van onvoldoende gewicht geen
staat een geschil centraal over de ontbinding kan dragen. De invulling van de
rechtsgevolgen van een gebrekkige prestatie tenzij-bepaling is in de rechtspraak nader
bij een overeenkomst met kenmerken van uitgekristalliseerd. Uit de rechtspraak van de
koop en aanneming van werk. Een installateur Hoge Raad volgt dat deze bepaling niet als een
verbond zich tot levering en installatie van uitzonderingsregel moet worden beschouwd,
twee airco’s en een ventilatiebox. Na maar samen met de hoofdregel de materiële
installatie vertoonden de airco’s lekkages, wat norm vormt dat slechts een tekortkoming van
leidde tot waterschade. De koper ontbond de voldoende gewicht ontbinding rechtvaardigt,
overeenkomst buitengerechtelijk. In hoger zoals bevestigd in HR 28 september 2018. 2 3
beroep is onder meer aan de orde of sprake is In oudere rechtspraak werd de tenzij-bepaling
van non-conformiteit en verzuim. nog terughoudender toegepast, zoals blijkt uit
arresten als HR 22 juni 2007 (Fisser/Tycho),
2. Het hof oordeelt dat de airco’s niet aan de
terwijl in de recente rechtspraak meer nadruk
overeenkomst beantwoorden en dat de
ligt op een expliciete en brede afweging van
installateur na ingebrekestelling in verzuim is
alle omstandigheden van het geval. 4 5
geraakt. Van schuldeisersverzuim is geen
Daarmee heeft de tenzij-bepaling zich
sprake. De tekortkoming rechtvaardigt echter
ontwikkeld tot een correctiemechanisme
geen volledige ontbinding: de ventilatiebox
binnen het ontbindingsrecht.
functioneert naar behoren en kan zelfstandig
voortbestaan, zodat slechts gedeeltelijke 5. Een derde vereiste is verzuim, voor zover
ontbinding gerechtvaardigd is. nakoming nog mogelijk is. Op grond van art.
6:81 en 6:82 BW treedt dit in na
3. Centraal staat de vraag in hoeverre een
ingebrekestelling met een redelijke termijn.
tekortkoming de (gedeeltelijke) ontbinding van
Dit volgt uit het uitgangspunt dat de
een overeenkomst rechtvaardigt en wanneer
schuldenaar eerst gelegenheid moet krijgen tot
ontbinding kan worden beperkt tot een deel
herstel, wat bij aanneming van werk wordt
van de overeenkomst op grond van art. 6:265
bevestigd in art. 7:759 BW. 6 Hieruit volgt dat
BW. Deze annotatie richt zich op deze vraag,
ontbinding als ultimum remedium pas aan de
nu deze het meest juridisch relevant is voor de
orde is wanneer de schuldenaar een reële
beoordeling van het arrest.
mogelijkheid tot herstel heeft gehad en deze
4. Artikel 6:265 lid 1 BW vormt het onbenut heeft gelaten. Sieburgh merkt in
uitgangspunt voor ontbinding. Op grond van algemenere zin op dat de rechtsverhouding
deze bepaling kan de schuldeiser een tussen schuldeiser en schuldenaar bij de
wederkerige overeenkomst geheel of nakoming mede wordt beheerst door de eisen
gedeeltelijk ontbinden bij een tekortkoming, van redelijkheid en billijkheid, zodat partijen
tenzij deze gezien haar aard of geringe bij de uitvoering van hun verbintenissen als
betekenis ontbinding niet rechtvaardigt. redelijke mensen moeten handelen en met
Hieruit volgt dat voor ontbinding meerdere elkaars gerechtvaardigde belangen rekening
cumulatieve vereisten gelden. Ten eerste, moet moeten houden. 7
er sprake zijn van een tekortkoming, waarbij,
anders dan bij een schadevergoeding ex art. 2
HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810
6:74 BW, toerekenbaarheid geen vereiste is. 1 (Tenzij-arrest).
3
Maes 2018, p. 327.
In de tweede plaats moet de tekortkoming de 4
HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4122
ontbinding rechtvaardigen: de zogenoemde (Fisser/Tycho).
5
Maes 2018, p. 328.
6
Van Kogelenberg 2009, p. 102.
1 7
Maes 2018, p. 328. Sieburgh 2024, nr. 55, p. 46.
1