Identiteit
o Persoonlijke identiteit = eigen waarden, levensvisie en kijk op het leven
Beïnvloed
Biologisch (zijn) en psychologisch (voelen)
en elkaar
o Professionele identiteit = persoonlijke identiteit als leraar
o De identiteitsdriehoek = identiteit omvat persoonlijke, professionele en
institutionele identiteiten bij elkaar
o Belonging = verlangen om erbij te horen => basisbehoefte (is verbonden met
het al dan niet thuisvoelen in de samenleving)
o Identiteitsontwikkeling = veranderlijk concept met een dynamisch proces
waarbij je u ‘zijn’ ontwikkeld met overtuigingen, waarden en normen.
o De fluïditeit van identiteit = identiteit is veranderlijk en beïnvloedbaar door
meerdere factoren zoals de omgeving, context.
o Het insluitende en uitsluitende potentieel van identiteit = insluiting,
gedragenheid en geborgenheid geeft een positieve kracht. Uitsluiting, afwijzing
en discriminatie zorgt voor spanningen en conflicten.
o Ervaren van uitsluiting: grote invloed op identiteitsbeleving en geestelijke
gezondheid
Meervoudige identiteiten
o Identiteitsassen = tal van deelidentiteiten waar een mens mee wordt
gekenmerkt. Een groot deel daarvan wordt bepaald door aangeboren, ongekozen
factoren en omgevingsfactoren
o Referentiekader = bril waardoor je naar de wereld kijkt. à Bepaald wat je
normaal of vreemd vindt en wordt beïnvloed door je identiteitsassen.
o Multiperspectiviteit = je kunnen inleven in verschillende levensverhalen en
ideniteitsassen met als gevolg dat je niet meer een ‘single story’ voor hebt maar
ook een beter inzicht in een situatie.
Bewust andere perspectieven innemen
Geen oordeel vormen
Referentiekaders van anderen leren kennen
Machtsverhoudingen
o Formele machtsstructuren/machtsposities = manier waarop organisaties of
samenlevingen officieel zijn georganiseerd
1 formele machtsverhouding per samenleving
Concrete vormen van machtsverdelingen
Autoritarisme: macht bij een toplaag van 1/meer mensen die een
uitzonderlijke autoriteit toegekend krijgen à beslissen hoe er moet
omgegaan worden met de mensen onder hen
Dictatuur/allerheerschappij: regeringsvorm met macht bij
1/kleine groep à geen koning genoemd
Democratie: ‘de wil van het volk’ om samenlevingsregels te
bepalen.
, Directe democratie = persoonlijk stemmen over wetten,
besluiten en benoemingen
Indirecte democratie = volk laat zich vertegenwoordigen
door gekozen orgaan vb. raad/parlement
Oligarchie/plutocratie:
Oligarchie = macht bij kleine groep mensen die behoort tot
de bevoorrechte klasse/stand
Plutocratie = vorm van oligarchie waarbij die kleine groep
mensen bestaat uit de rijkste van de gemeenschap à rijken
beslissen alles van de samenleving
Aristocratie: macht bij specifieke groep mensen die door familiale
geschiedenis een hoogstaande status hebben: ‘de adel’ (=vaak de
rijkere, maar niet altijd) à grotere groep dan bij oligarchie
Bureaucratie: samenleving wordt bepaald door administratieve
regels à wetten, procedures, manieren van aanpakken
Kolonialisme: samenleving waarbij een andere SL wordt bezet met
geweld om die grondstoffen eigen te maken en de bevolking als
goedkope werkkracht uit te buiten
Kapitalisme: bezit van rijkdom zorgt voor meer rijkdom à rijkdom
krijgen = centraal à samenleving bepaald door de marktwerking
Communisme: productiemiddelen van de economie zijn in handen
van de arbeiders en de samenleving als geheel à niemand heeft iets
van zichzelf
Anarchisme (anarchosyndicalisme): samenlevingsmodel waarin
verschillende groepen van mensen zich vrij kunnen verbinden in
gemeenschappen en instellingen à daarbinnen beslissingen
genomen over de manier van werken
Verkozenen uit gemeenschap gaan in overleg en daarna ook
met andere gemeenschappen en instellingen
De productiemiddelen van elke productie-eenheid zijn van de
productenmakers +tussen de eenheden wordt democratisch
overlegt
Egalitarisme: sociale ordening waarbij iedereen gelijkwaardig is en
elke stem telt
o Maatschappelijke machtsverhoudingen
Sociale ordening = de combinatie van de hoeveelheid macht en
middelen je hebt, bepalen de handelingsruimte die je hebt om je situatie
te verbeteren. Die zaken hebben een invloed op de positie waar je staat in
bepaalde identiteitsassen, deze positie staat in hiërarchie met de
maatschappelijke waardering en betekenisgeving die je krijgt.
Dominante & achtergestelde groepen:
Achtergestelde groepen: groepen die minder kansen en minder
middelen krijgen en hebben om een macht uit te oefenen op de
samenleving