Kanstabellen
Voorbeeld: populatie 600 studenten 1e bach aan de KUL
Op ZTW 1 persoon trekken en registreren naam van die persoon.
Mogelijke uitkomst (Anna V.)
#Ω = 600
Alle uitkomsten hebben evenveel kans (ZTW)
dus we kunnen de regel van Laplace gebruiken.
A=
“slagen” → P(A) = 270/600 = 0.45
B = “aanwezig in practicum” → P(B) = 0.50
Ac = 0.55 = “niet geslaagd”
Bc = 0.5 = “afwezig in practicum”
Conditionele kans