designs
10.1: Non- en Quasi-experimentele
onderzoeksstrategieën
Waarom soms geen echt experiment?
In de praktijk is het niet altijd mogelijk om aan de strenge voorwaarden
van een echt experiment te voldoen.
Bijvoorbeeld: je kan niet zomaar mensen toewijzen aan “roken” of “niet
roken”, of kinderen een trauma laten meemaken om een effect te meten.
Toch willen onderzoekers vaak groepen vergelijken, dan gebruiken ze non-
of quasi-experimentele designs.
Non-experimenteel onderzoek
Er worden nog steeds twee of meer groepen of condities vergeleken, maar de
onderzoeker manipuleert de onafhankelijke variabele niet.
De groepen bestaan op basis van bestaande kenmerken, zoals
bijvoorbeeld:
Mannen vs. Vrouwen
Rokers vs. niet-rokers
Studenten vs. niet-studenten
Omdat de groepen al bestaan, is er vaak een andere factor aanwezig die de
resultaten kan beïnvloeden.
Deze factor wordt een confounder genoemd.
Een confounder bedreigt de interne validiteit: je weet niet zeker of het
verschil door de onderzochte factor komt of door die storende variabele.
Omdat deze confounder deel uitmaakt van het design, kan hij niet
verwijderd worden.
Gevolg:
Non-experimentele studies kunnen geen duidelijke oorzaak-gevolgrelaties
aantonen.
Er wordt geen poging gedaan om bedreigingen voor interne validiteit te
verkleinen.
Voorbeeld:
Een onderzoek vergelijkt goede slapers met insomniapatiënten op
concentratievermogen.
Hier wordt slaapkwaliteit niet gemanipuleerd, de groepen bestaan al.
1
, Mogelijk verschillen de groepen ook op andere factoren, zoals stressniveau
of gezondheid, die de resultaten kunnen beïnvloeden.
Quasi-experimenteel onderzoek
= Lijkt sterk op een echt experiment, maar voldoet net niet helemaal aan alle
eisen.
De onderzoeker probeert wel bedreigingen voor interne validiteit te
verkleinen, bijvoorbeeld door:
Controlegroepen
Herhaalde metingen
Groepen worden nog steeds gevormd op basis van bestaande, niet-
gemanipuleerde variabelen, maar het design is beter gecontroleerd dan bij non-
experimenteel onderzoek.
Voorbeeld:
Een onderzoek vergelijkt leerprestaties voor en na de invoering van een
nieuw lesprogramma op dezelfde school.
Er is geen random toewijzing, maar door de tijdsvergelijking kan wel iets
gezegd worden over veranderingen in prestaties.
Structuur: gelijkenissen met experimenten
Zowel non- als quasi-experimentele studies lijken qua opzet op een experiment:
Er zijn groepen of condities.
Er wordt een afhankelijke variabele gemeten.
Het verschil zit in hoe de groepen ontstaan:
In echte experimenten: door manipulatie van de onafhankelijke variabele.
In non-/quasi-experimenten: door een bestaande eigenschap of
tijdsmoment.
Type Hoe ontstaan groepen? Interne Causale
validiteit conclusie
mogelijk?
Echt Door manipulatie Hoog Ja
experiment
Quasi- Door bestaande factor of Middelmatig Soms
experiment tijd, met controle
2
, Non- Door bestaande factor, Laag Nee
experiment zonder controle
Non-experimenteel en quasi-experimenteel onderzoek
Bij non-experimenteel en quasi-experimenteel onderzoek wordt het onderzoek
erg op een echt experiment gebouwd, maar er is geen volledige controle over de
onafhankelijke variabele en bedreigingen van interne validiteit.
Groepen en condities
In tegenstelling tot echte experimenten worden de groepen niet gevormd door
manipulatie, maar door een bestaand kenmerk of tijd:
Specifieke participantvariabele → gebruikt voor tussen-subject designs
Voorbeeld: groep goede slapers vs. groep insomniapatiënten
Tijd (pre- en postmeting) → gebruikt voor binnen-subject designs
Voorbeeld: metingen vóór en na de invoering van een lesprogramma
Belangrijk: een niet-gemanipuleerde variabele bepaalt de condities, waardoor er
altijd een confounder aanwezig is die de interne validiteit bedreigt.
Voorbeelden
Experiment:
Manipulatie bepaalt de groepen:
Groep krijgt normale nachtrust vs. groep krijgt slaapdeprivatie.
De verschillen in uitkomst (bijvoorbeeld concentratie) kunnen worden
toegeschreven aan de manipulatie.
Non-experiment:
Bestaand kenmerk bepaalt de groepen:
Vergelijk goede slapers met insomniapatiënten op concentratie.
Slaapkwaliteit wordt niet gemanipuleerd; andere verschillen (stress,
gezondheid) kunnen het resultaat beïnvloeden.
Design: tussen-subject (verschillende groepen worden vergeleken).
3