Hoofdstuk 1: het begrip psychomotoriek
1.1Eenheid geest – lichaam
Psychomotoriek
Motorisch gedrag waarbij emotionele of cognitieve componenten de
beweging mee vormen en betekenis geven
Bestaat uit 2 delen
o Motoriek = functioneren bewegingsapparaat
o Psyche = geestelijke inbreng, maakt de menselijke gedragingen van
de mens zinvol en typisch menselijk
Bestaat uit 2 delen
1. Cognitief component: informatieverwerking, lichaamsbesef, oog-
handcoördinatie, plan, concentratie, auditieve en visuele perceptie,
tijdsbeleving, spatialiteit
Doen we dagelijks onbewust
Fietsongeval zorgt ervoor dat je niet meer kan fietsen
2. Affectief component: emoties, gevoelens, karakter (volhouden, gevoelig
zijn voor kritiek) die onze motoriek kleuren, menselijk maken
Stress zorgt er vaak voor dat je output anders zal zijn)
- Tussen motoriek en de psyche bestaat een wisselwerking
Het motorisch gedrag is altijd het resultaat van de informatie-
input, die door het individu verwerkt werd
CONTEXT
cogniti
e
input outpu
t
motorie Sociaal-
1
, Psychomotoriek
Toepassing: dans
Motorisch = dansen
Cognitief aspect: dans onthouden, concentratie
Affectief-dynamisch aspect: stress bij eerste les, blij als het goed lukt
Output: de eerst ezal je de dans nog niet kennen, na een aantal lessen zal de
output anders zijn omdat je de dans al vaak hebt geoefend en hem nu dus wel
kent
Toepassing: jeugdbeweging, leiding zegt spring maar over de gracht
Input: het feit dat je gaat springen
Motorisch: springen (uitvoering van plan)
Cognitie: je weet dat je naar voor moet gaan om niet in de gracht te vallen,
concentratie hoeveel kracht en snelheid je nodig hebt om te kunnen
springen (plan) = lichaamsbesef
Affectief-dynamisch: adrenaline, stress wanneer je omgeving je kan
beïnvloeden, emotie = moedig
Output = resultaat dat je gaat krijgen nadat je over een gracht bent gesprongen
Toepassing: aardappelen schillen
Input: ik wil mijn aardappelen kunnen schillen
Motorisch: schillen, ik weet hoe ik mijn pols moet bewegen door mijn plan
(uitvoering van plan)
Cognitie: niet snijden in vinger (plan)
Affectief -dynamisch:
Output: aardappelen zijn gesneden
Belang van context
Stimulerende omgeving noodzakelijk geen stimulerende omgeving zorgt
ervoor dat je mind goed kan ontwikkelen
o Te kort aan omgevingsstimuli kan liggen:
Motorisch vlak: gebrek aan bewegingsruimte,
bewegingservaring
- Te kleine wieg
- Niet op buik mogen liggen
- Niet kunnen kruipen
Cognitief vlak: gebrek aan structurering, en normering
Sociaal-affectief vlak: tekort aan affectie, genegenheid,
sociale contacten
2
, Psychomotoriek
- Wanneer kind iets goed doet, enthousiast reageren zodat
het gedrag aangemoedigd wordt. (Zo kan het positief
gestimuleerd worden)
Psychomotoriek = het beleven van zichzelf en van de omgeving, en de
wijze waarop men daarop bewegend reageert
1.2Verschillende termen
Motoriek Bewegen waarbij accent ligt op de
inbreng van de spieren, beenderen en
gewrichten
Neuromotoriek Bewegen met accent op inbreng van
CZS
Sensomotoriek Bewegen met accent op inbreng
tastzin en proprioceptie
Perceptuomotoriek Bewegen met accent op inbreng
vertezintuigen
Koppeling tussen waarnemen
en motoriek
o Heel belangrijk voor ons
cognitief component
Psychomotoriek De benaming voor het domein waarin
de eenheid tussen geest en lichaam
centraal staat als middel om de
persoon te beïnvloeden
Psychomotorische opvoeding Mate waarin psychomotoriek
gestimuleerd wordt in de opvoeding
De normale ontwikkeling van de
psychomotoriek
Psychomotorische therapie De beïnvloeding van de totale
persoonlijkheid via de
psychomotorische principes bij
disfunctionerende populatie
Geen normale psychomotoriek
DCD
Hoofdstuk 2: normale psychomotorische ontwikkeling
2.1Inleidende begrippen
Beschrijving van bewegingen
1. Niet aangeleerde acties rond de gewrichten:
Flexie
Extensie
Abductie
Adductie
3
, Psychomotoriek
Rotatie
2. Niet aangeleerde oorsprong
Reflexen (om zichzelf te beschermen en verdedigen)
o Knipperreflex
o Zwemreflex
Passieve bewegingen
Geconditioneerde bewegingen
Er is een prikkel en je gaat automatisch daarop gaat reageren
o De bel gaat op school, je gaat in een rij gaan staan
Vrijwillige bewegingen
2.1.1 Rusttonus
De lichte spanning bij een spier in rust
Bij pasgeborene is rusttonus nog heel groot, ledematen voortdurend in
flexie
Neemt geleidelijk af
Rond 3 jaar wordt normaal stadium bereikt
Bovenste en onderste ledematen hebben een verschillende evolutie
Onderste ledematen Bovenste ledematen
0-6m: boven normale 0-1j: boven normale
7-24m: onder normale 1-2j: onder normale
Ca. 30m: normaal Ca. 3j: normaal
o Boven normale = verhoogde spierspanning
o Onder normale = verlaagde spierspanning
2.1.2 Groeiprincipes
1. Wet van Coghill of cefalocaudale groeirichting
Controle van de hersenen op de spieractiviteit
o Begint bij beheersing van de hoofd- en halsspieren
o Daarna gaat het verder in de richting van de onderste ledematen
2. Wet van Gesell of prinipe van proximodistale rijping
De neuromotorische organisatie gaat geleidelijk vooruit vanuit de centrale
segmenten tot de periferische segmenten
Eerst: hersenen krijgen controle over de lichaamsdelen, gewrichten en
spieren die het dichtst bij het midden van het lichaam liggen
Daarna: hersenen krijgen controle over de lichaamsdelen, geswrichten en
spieren aan de uiteinden van het lichaam
3. Principe van de hiërarchische integratie
Eenvoudige vaardigheden ontwikkelen zich doorgaans afzonderlijk en
onafhankelijk van elkaar
Later worden ze geïntegreerd in complexe vaardigheden
4. Principe van de onafhankelijkheid van systemen
4