Godsdienst - op weg naar de kleuterklas (hoofdstuk 1)
Kleuter in zijn totale persoon:
→ HHH centraal (hoofd, hart, handen) (kennis, attitudes, vaardigheden)
Harmonische ontwikkeling = investeren in de ontwikkeling van de kennis, vaardigheden, attitudes
en inzichten die leerlingen nodig hebben om zelfredzaam en gelukkig te functioneren in de hen
omringende, voortdurend veranderende, wereld.
Holistisch mensbeeld = wordt de mens als één geheel gezien, waarbij lichamelijke, psychologische,
sociale, en spirituele facetten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en elkaar wederzijds
beïnvloeden. …
Rugzak van het kind:
- niveau op afstemmen
- zone van naaste ontwikkeling (vygotsky)
- geen gemiddelde kleuter
Kind in zijn wereld:
- fascinerende wereld
- secularisering = maatschappij ontwikkelt gescheiden van kerk en geloof
- pluralisme = verschillende cultuurgroepen leven naast elkaar
- uniformisering = het streven van vorsten om in hun land dezelfde wetten te laten geleden
- globalisering = spreiding van productie over de hele wereld
Veranderende wereld:
- industrialisering = ontwikkelen van economische organisatie van de samenleving
- technologisering = invloed van techniek op de mens slaat toe
- globalisering = spreiding van productie over de hele wereld
- superdiversiteit = veel meer diversiteit op 1 plek (verscheidenheid)
- ontkerkelijking = kerk heeft geen invloed meer op de maatschappij
- individualisering = als individu in de samenleving staan
- privatisering = de overheid trekt zich terug uit economische activiteiten
Contactplaatsen voor religieuze opvoeding:
1) context van het gezin
2) context van de maatschappij
3) context van de school
groeien in geloven:
1) basisvertrouwen
2) zelfvertrouwen
3) vertrouwen in de andere
Geloofsontwikkeling:
1) ouders
2) school
1
, Cognitieve ontwikkeling Morele ontwikkeling
→ Jean Piaget → Kohlberg
→ hersenen en hoofd → Verschil tussen goed en kwaad
→ SPCA → Dilemma van Heinz
→ PPCP
- Niveau 1 = socio-motorische fase (zuigelingen) - Niveau 1 = premoreel niveau (zuigelingen)
→ goed = plezier
- Niveau 2 = pre-operationele fase (peuters en kleuters) → slecht = onaangenaam
- Niveau 3 = concreet-operationele fase (vanaf 6 à 7 jaar) - Niveau 2 = preconventioneel niveau (peuters en kleuters)
→ goed = belonen
- Niveau 4 = abstract-operationele fase (vanaf 10 jaar) → slecht = straffen
⇒ Fase 1 = strikte gehoorzaamheid en straf
⇒ Fase 2 = voordeel en berekening
- Niveau 3 = conventioneel niveau (8-25 jaar)
→ goed = goedkeuring
→ slecht = afkeuring
⇒ Fase 3 = goede jongen / lief meisje
⇒ Fase 4 = wet en orde
- Niveau 4 = postconventioneel niveau (vanaf 25 jaar)
⇒ Fase 5 = geldende ethische beginselen
⇒ Fase 6 = eigen waardenschaal opstellen
Realisme = besef van de werkelijkheid
Egocentrisme = op zichzelf gericht zijn
Conservatie-principe = hoeveelheid blijft hetzelfde, zonder iets weg te halen of toe te voegen
Symbool Formatie = dingen voorstellen via prenten of woorden
Analyseren = grondig onderzoeken of ontleden
Symbolisch denken = denken aan de hand van symbolen
Abstract denken = geen voorwerpen meer nodig hebben om iets te kunnen bedenken
2
Kleuter in zijn totale persoon:
→ HHH centraal (hoofd, hart, handen) (kennis, attitudes, vaardigheden)
Harmonische ontwikkeling = investeren in de ontwikkeling van de kennis, vaardigheden, attitudes
en inzichten die leerlingen nodig hebben om zelfredzaam en gelukkig te functioneren in de hen
omringende, voortdurend veranderende, wereld.
Holistisch mensbeeld = wordt de mens als één geheel gezien, waarbij lichamelijke, psychologische,
sociale, en spirituele facetten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en elkaar wederzijds
beïnvloeden. …
Rugzak van het kind:
- niveau op afstemmen
- zone van naaste ontwikkeling (vygotsky)
- geen gemiddelde kleuter
Kind in zijn wereld:
- fascinerende wereld
- secularisering = maatschappij ontwikkelt gescheiden van kerk en geloof
- pluralisme = verschillende cultuurgroepen leven naast elkaar
- uniformisering = het streven van vorsten om in hun land dezelfde wetten te laten geleden
- globalisering = spreiding van productie over de hele wereld
Veranderende wereld:
- industrialisering = ontwikkelen van economische organisatie van de samenleving
- technologisering = invloed van techniek op de mens slaat toe
- globalisering = spreiding van productie over de hele wereld
- superdiversiteit = veel meer diversiteit op 1 plek (verscheidenheid)
- ontkerkelijking = kerk heeft geen invloed meer op de maatschappij
- individualisering = als individu in de samenleving staan
- privatisering = de overheid trekt zich terug uit economische activiteiten
Contactplaatsen voor religieuze opvoeding:
1) context van het gezin
2) context van de maatschappij
3) context van de school
groeien in geloven:
1) basisvertrouwen
2) zelfvertrouwen
3) vertrouwen in de andere
Geloofsontwikkeling:
1) ouders
2) school
1
, Cognitieve ontwikkeling Morele ontwikkeling
→ Jean Piaget → Kohlberg
→ hersenen en hoofd → Verschil tussen goed en kwaad
→ SPCA → Dilemma van Heinz
→ PPCP
- Niveau 1 = socio-motorische fase (zuigelingen) - Niveau 1 = premoreel niveau (zuigelingen)
→ goed = plezier
- Niveau 2 = pre-operationele fase (peuters en kleuters) → slecht = onaangenaam
- Niveau 3 = concreet-operationele fase (vanaf 6 à 7 jaar) - Niveau 2 = preconventioneel niveau (peuters en kleuters)
→ goed = belonen
- Niveau 4 = abstract-operationele fase (vanaf 10 jaar) → slecht = straffen
⇒ Fase 1 = strikte gehoorzaamheid en straf
⇒ Fase 2 = voordeel en berekening
- Niveau 3 = conventioneel niveau (8-25 jaar)
→ goed = goedkeuring
→ slecht = afkeuring
⇒ Fase 3 = goede jongen / lief meisje
⇒ Fase 4 = wet en orde
- Niveau 4 = postconventioneel niveau (vanaf 25 jaar)
⇒ Fase 5 = geldende ethische beginselen
⇒ Fase 6 = eigen waardenschaal opstellen
Realisme = besef van de werkelijkheid
Egocentrisme = op zichzelf gericht zijn
Conservatie-principe = hoeveelheid blijft hetzelfde, zonder iets weg te halen of toe te voegen
Symbool Formatie = dingen voorstellen via prenten of woorden
Analyseren = grondig onderzoeken of ontleden
Symbolisch denken = denken aan de hand van symbolen
Abstract denken = geen voorwerpen meer nodig hebben om iets te kunnen bedenken
2