GESCHIEDENIS V/D MODERNE EN HEDENDAAGSE
TIJD
1. FRANSE REVOLUTIE
In het jaar 1789 start de Franse revolutie waarbij het Ancien Régime vervangen werd met de ‘moderne
samenleving.’ Deze revolutie is een voorganger voor latere revoluties zoals de Haïtiaanse revolutie in
1791. Deze revolutie heeft voor meerdere keerpunten gezorgd:
Van een standenmaatschappij naar een maatschappij met gelijke burgers
Van soevereine vorsten naar soevereine naties
Van een privilege systeem naar staatsbureaucratieën
SOCIALE EN CULTURELE ACHTERGROND/OORZAKEN
HET ANCIEN RÉGIME: DE DRIE STANDEN
Het ancien régime was een juridisch aristocratisch systeem dat in sommige opzichten ook feodaal was.
Iedereen behoorde aan een stand toe waarvan er 3 waren. De eerst stand is de clerus/kerk die in 1789
bestond uit 100.000 geestelijken, die 5-10% van het land bezatten en dus de grootste grondbezitters
waren. De kerk had een grote invloed op de samenleving en de staat. De inkomsten van kerkelijk bezit
werd oneerlijk verdeeld en kwam vooral in de handen van rijke leden v/d adel met hoge functies
terecht.
De adel, waar ongeveer 400.000 mensen onder vielen, was de tweede stand die 20% van het land in
bezit had. Ze hadden monopolie op belangrijke politieke en religieuze functies. Ze hadden feodale
privileges zoals het innen van belastingen v/d 3de stand en werden ze vrijgesteld van belastingen
betalen. De derde stand, ook de grootste stand, bestond uit de burgerij en boeren. Rijke burgers
(=bourgeoisie) bezatten 20% van het land en wilden meer privileges. De boeren hadden 40% v/d grond
in hun bezit terwijl de loonarbeiders en ambachtslui die ook tot deze stand behoorden geen grondbezit
hadden. De derde stand moest belastingen betalen en hadden geen privileges. Iemand zijn rechten en
prestige ging dus af v/d klasse waartoe hen behoorde.
HET AGRARISCHE SYSTEEM VAN HET ANCIEN RÉGIME
In het agrarische systeem in FR was er geen lijfeigenschap d.w.z. dat de boer de landheer geen arbeid
verschuldigd was. De boeren werkten voor zichzelf, oftewel op hun eigen land of gehuurd land; of
“verkochten” ze zichzelf aan een landheer of een andere boer. Dit systeem had wel nog restanten v/d
feodale privileges:
1. De leenheer had het recht op jagen op de grond v/d onderdanen en het recht op een deel v/d
gewonnen macht v/d onderdanen (= hunting rights)
2. De leenheer had monopolie op de dorpsmolen, de bakker en de wijnmaker waardoor hij een deel van
hun inkomsten kon innen (= banalités)
3. De leenheer beschikte over beperkte bevoegdheden in de rechtspraak en over bepaalde lokale
politiebevoegdheden
4. De leenheer had recht op ‘eminent eigendom’ over grond in zijn heerlijkheid, d.w.z. dat kleinere
grondeigenaars konden land kopen, verkopen, verhuren of erven maar waren nog steeds huur en
overdrachtskosten verschuldigd aan eigenaar van het landgoed.
Toch hadden dorpsbewoners collectieve rechten zoals bv. weidegronden gebruiken van landen zonder
omheining. Dit had veel economische voordelen voor boeren die land bezitten en de bourgeoisie.
Tijdens de 18de eeuw had je een economische verandering die de feodale reactie wordt genoemd. Dit
betekent een stijging van kosten + hogere levensstandaard dat leidt tot landheren die meer inkomsten
eisen door oude rechten weer in gebruik te stellen en boeren kregen ook minder voor hun gewassen.
Dit leidt tot meer druk op landbouwers en een stijging in boosheid op de adel want ze zagen zichzelf als
ware grondbezitters en de landheer als persoon die zonder reden hoger inkomen kreeg. Boeren
organiseren zich in broederschappen of landelijke verenigingen als mobiliserende kracht als gevolg.
POLITIEKE CULTUUR EN PUBLIEKE OPNINIE NA 1770
,Er is discussie over het verband tussen de revolutie en de verlichting. De verlichting droeg wel bij aan
nieuwe vormen van kritiek, publieke opinie en debat wat grotendeels de traditionele autoriteit v/d
koning uitdaagde. De laatste 2 eeuwen van AR waren gevuld met intense politieke controversie, de
monarchie probeerde (onsuccesvol) traditionele Franse parlementen te onderdrukken. De kritische
geest in salons, koffiehuizen en literaire conflicten zorgden voor een publieke sfeer vol politieke
debatten. Je had nieuwe koninklijke pamfletten die de ronde doen over scandalen, seksueel wangedrag
en financiële corruptie. Tegelijkertijd was er een interesse in schandalige rechtszaken, rechters konden
pleidooien publiceren zonder goedkeuring van censoren waarbij ze voor hun argumenten beroep doen
op de publieke opinie.
DE REVOLUTIE EN REORGANISATIE VAN FR
DE FINANCIËLE CRISIS
Een aanzetting v/d revolutie was de financiële instorting van het parlement door oorlogskosten,
onderhoud van legers en staatschulden. De schulden v/d Franse staat waren gegroeid door de steun
aan de Amerikaanse vrijheidsstrijders. Er waren verschillende problemen met de belastingen:
inefficiënt regerings- en economisch systeem, vergeefse pogingen tot fiscale hervormingen, de clerus
en adel die vrij waren van bepaalde belastingen en de oorlogskosten die zorgde voor verhoogde
schulden wat dan weer valt op de boeren, niet op de rijkere bevolking. Calonne stelt de algemene
belasting in voor alle landeigenaars zonder vrijstelling wat zorgt voor een verlichting van indirecte
belastingen + afschaffing v/d binnenlandse tarieven + confiscatie van sommige eigendommen v/d
kerk.
In 1787 werd een bijeenkomst van notabelen georganiseerd. Zij wilden inspraak in het parlement, maar
de koning ging hier niet mee akkoord. Volgens hen kon alleen de Staten-Generaal nieuwe belastingen
goedkeuren. Koning Lodewijk XVI beloofde daarom om tegen mei 1789 de Staten-Generaal bijeen te
roepen.
VAN STATEN-GENERAAL TOT ASSEMBLÉE NATIONALE
De Staten-Generaal (= vergadering van vertegenwoordigers v/d drie standen met de koning) was al
meer dan 150 jaar niet meer samengekomen. Daarom ontstond er meteen discussie over hoe deze
vergadering moest werken. Volgens het oude systeem vergaderden de drie standen apart. Elke stand
had maar één stem. Daardoor konden adel en geestelijkheid samen altijd de derde stand
overstemmen, terwijl de derde stand het grootste deel v/d bevolking vertegenwoordigde. De adel wilde
haar macht behouden en zelfs versterken. Ze steunde wel enkele liberale ideeën, zoals een grondwet
en meer persoonlijke vrijheid + persvrijheid. Maar tegelijk wilden de edelen hun bevoorrechte positie
behouden. De derde stand verzette zich hiertegen. Zij wilden een eerlijker politiek systeem waarin
gewone burgers meer invloed kregen.
Toen koning Lodewijk XVI de Staten-Generaal bijeenriep, hoopten veel mensen op hervormingen. Maar
het Parlement van Parijs hield veranderingen vaak tegen. De derde stand eiste gelijke stemrechten en
wilde samen vergaderen met de andere standen in plaats van apart. In het begin werkte de derde
stand nog samen met de adel tegen de absolute macht v/d koning. Bij de bijeenkomst in Versailles in
mei 1789 weigerde de derde stand de oude manier van vergaderen te accepteren. Als iedereen samen
zou stemmen, zouden zij namelijk de meerderheid hebben. Na weken van ruzie sloten enkele priesters
zich op 13 juni bij de derde stand aan. Kort daarna riep de derde stand zichzelf uit tot de Nationale
Vergadering. De koning reageerde door de vergaderzaal te sluiten. Daarom verhuisde de derde stand
naar een tennisbaan. Daar legden ze op 20 juni 1789 de beroemde Eed v/d Kaatsbaan af. Ze beloofden
niet uit elkaar te gaan voordat FR een grondwet en een nieuw politiek systeem had gekregen waarin
het volk meer macht zou hebben.
In het begin wilden ze vooral hervormingen en nog niet de afschaffing v/d monarchie. Ook enkele leden
v/d adel en de geestelijkheid sloten zich later bij hen aan. De koning koos uiteindelijk de kant v/d adel,
omdat hij bang was zijn macht te verliezen. Maar daardoor verloor hij juist de controle over de situatie.
Hij gaf geen duidelijke oplossingen, toonde weinig leiderschap en slaagde er niet in om een compromis
te vinden. Toen hij eind juni probeerde de Staten-Generaal met soldaten uiteen te drijven, was het
conflict al te groot geworden om nog op te lossen. Veel mensen uit de derde stand kregen hierdoor het
,gevoel dat de koning vooral luisterde naar de adel en dat de hogere standen eigenlijk de echte macht
hadden.
DE LAGERE KLASSEN IN ACTIE
Lagere klassen komen openlijk in opstand tegen de economische en sociale omstandigheden. Je had de
economische depressie die naar boven kwam waarbij de groei handel stopt, je een daling hebt v/d
lonen en een stijging in werkloosheid. Ook waren er veel misoogsten (bv in 1788) en een stijging van
prijzen (bv brood) wat leidt onrustige massa’s. De crisissen veroorzaakten wijdverspreide angst en
werden ook politiek van aard. Overal begon de 3e stand zich te bewapenen uit zelfverdediging. Deze
Massa’s bestormden Parijs op zoek naar wapens en op 14 juli wordt de Bastille (= werd gebruikt als een
plaats van detentie voor personen met genoeg invloed om te ontsnappen aan de gewone
gevangenissen) bestormd. Dit was vooral een symbolische daad. De koning accepteerde de nieuwe
situatie, hij erkende het burgercomité in Parijs + de Assemblée Nationale. Ook werd er een Nationale
Garde opgericht onder leiding v/d Lafayette. De ‘Franse Driekleur’ (= Insigne samengesteld uit rood &
blauw (kleuren Parijs) + wit (kleur huis van Bourbon) werd het embleem van FR. In rurale gebieden
wordt de situatie erger, vage onzekerheid wordt algemene angst wat leidt tot de ‘La Grande Peur de
1789’. Kastelen van lokale adel en feodale archieven werden vernietigd. De burgers wisten perfect wat
ze deden, ze wilden landsheerlijke regime met geweld neerhalen waardoor veel adel vluchtte naar het
buitenland.
DE OORSPRONKELIJKE HERVORMINGEN V/D ASSEMBLÉE NATIONALE
De rust in FR kon pas terugkeren als de boeren minder belastingen en verplichtingen kregen. Maar de
adel en rijke burgers wilden dat eigenlijk niet, omdat ze dan hun land en speciale rechten zouden
verliezen. Daarom gebeurde er iets opvallends in de nacht van 4 augustus 1789. Een kleine groep
afgevaardigden in de Assemblée Nationale (=het lagerhuis van het tweekamerparlement v/d Franse
Republiek) besloot vrijwillig afstand te doen van hun privileges, zoals hun jachtrechten en feodale
rechten. Daardoor werd het feodale systeem afgeschaft. Dat systeem draaide vooral om de macht en
inkomsten van grootgrondbezitters. Er kwam wel een compromis: de boeren moesten de voormalige
eigenaars eigenlijk betalen als vergoeding voor het verlies van hun rechten. In de praktijk gebeurde dat
bijna nooit. Voor Franse boeren was dit een vrij gunstige situatie.
Deze hervormingen zorgden voor meer juridische gelijkheid. Dat werd verder vastgelegd in de
‘Déclaration des droits de l’homme et du citoyen’. Deze verklaring bestond uit 17 artikelen met de
basisideeën v/d nieuwe Franse staat.
Daarin stond o.a. dat iedereen gelijk is voor de wet, dat de wet de wil van het volk moet
vertegenwoordigen en dat mensen vrijheid van mening en godsdienst hebben. De tekst werd overal
openbaar voorgelezen, opgehangen en later vertaald in andere talen. Zo verspreidden de ideeën zich
door heel Europa. Met “l’homme” bedoelde men eigenlijk alle mensen, maar in de praktijk kregen
vooral mannen politieke en juridische rechten. Olympe de Gouges en veel andere mensen vonden dat
vrouwen dezelfde rechten moesten krijgen als mannen. Veel revolutionaire leiders vonden echter dat
politiek, wetten maken en oorlog voeren vooral mannendingen waren. Daardoor verloren vrouwen zelfs
een deel van hun vroegere invloed in rijke en adellijke kringen. Er kwamen ook beperkingen op
politieke activiteiten van vrouwen.
In september 1789 begon de Nationale Assemblee plannen te maken voor een nieuwe regering. Er
ontstond discussie tussen twee groepen: één groep wilde een sterke koning met vetorecht en een
parlement met twee kamers en de andere groep, de patriotten, wilde een zwakkere koning met alleen
een tijdelijk veto en één parlementaire kamer. De patriotten wonnen uiteindelijk het debat. Veel
conservatieven verlieten daarna de Assemblee omdat ze vonden dat de revolutie te ver ging.
Ondertussen begonnen radicalere revolutionairen zich te organiseren in politieke clubs. De bekendste
waren de Jacobijnen (=gemeenschap van vrienden v/d grondwet). In hun bijeenkomsten bespraken ze
politieke ideeën en plannen voor verdere hervormingen.
CONSTITUTIONELE VERANDERINGEN
Assemblée Nationale wordt Assemblée Constituante dat van Okt 1789 tot sept 1791 het land regeert,
geschreven grondwet verder ontwerpt en de instellingen van het AR vernietigt. Het verwierp de meeste
politieke en juridische instellingen die Franse zaken eeuwenlang bestuurd hadden. Het AC verdeelt FR
, in 83 “gelijke” departementen om het rijk te decentraliseren als reactie tegen bureaucratie van het AR.
Met de constitutie van 1791 werd de soevereine macht v/d natie uitgeoefend door eenkamer verkozen
vergadering (= Assemblée Legislative). De Koning had slechts vetorecht en kon hiermee de wetgeving
uitstellen. De uitvoerende macht (koning + ministers) werd zwak gehouden in reactie tegen
ministeriële despotisme + wantrouwen in Lodewijk XVI.
In Juni 1791 probeert Lodewijk XVI te ontsnappen, hij wordt gearresteerd en teruggebracht naar Parijs
+ gedwongen om status als constitutioneel monarch te accepteren. De vijandige houding van Lodewijk
XVI heeft FR sterk gedesoriënteerd, het maakte vorming van sterke uitvoerende macht onmogelijk en
zorgde dat het land geregeerd werd door een debatterende gemeenschap. Echter was niet alle
staatsmachinerie democratisch. Omdat meeste mensen ongeletterd waren, werd er gedacht dat ze
geen eigen politieke mening konden vormen en gewoon de mening van hun wergevers volgen. De
Assemblée Legislative maakte daarom een onderscheid tussen actieve en passieve burgers. Beiden
hadden dezelfde burgerrechten, maar alleen actieve burgers hadden recht om te stemmen. Actieve
burgers kozen “kiezers”, je had 1 kiezer voor elke 100 actieve burgers. Kiezers kwamen bijeen in de
hoofdstad van hun departement en kozen afgevaardigden voor het wetgevende orgaan. Mannen die
iets hogere belasting konden betalen kwalificeerden als kiezers.
ECONOMISCHE EN CULTURELE VERANDERINGEN
Het economische beleid v/d Franse Revolutie hielp vooral de middenklasse en minder de arme
bevolking. Om geld te krijgen nam de staat bezittingen v/d Kerk af, zoals land en gebouwen. Daarvoor
werden assignaten ingevoerd. Eerst waren dit een soort obligaties, maar later werden ze gebruikt als
papiergeld. Met deze assignaten konden mensen grond kopen die vroeger v/d Kerk was geweest. Veel
boeren en arme mensen waren teleurgesteld door dit systeem. De grond werd namelijk vaak verkocht
op verre veilingen en in grote stukken. Daardoor konden kleine boeren bijna nooit zelf land kopen. De
revolutionaire leiders geloofden sterk in economische vrijheid en wilden zo weinig mogelijk
overheidsbemoeienis met de economie. Ze waren tegen monopolies en tegen bedrijven met speciale
privileges. Hun ideeën waren beïnvloed door Adam Smith. Volgens deze ideeën moesten prijzen en
lonen bepaald worden door vrije afspraken tussen mensen, zonder inmenging v/d overheid. Daarom
werden de gilden afgeschaft via de wet Le Chapelier.
Gilden waren verenigingen van ambachtslieden die controle hadden over prijzen en werk.
Revolutionairen vonden dat ze innovatie tegenhielden. In FR waren veel functies binnen gilden erfelijk.
Daarom richtten gewone arbeiders eigen verenigingen op, de zogenaamde compagnonnages. De Wet
Le Chapelier verbood echter alle economische verenigingen van arbeiders én werkgevers. Vanaf dan
mocht iedereen vrij een beroep kiezen, maar arbeiders moesten individueel onderhandelen over hun
loon. Naast economische veranderingen ontstond ook een nieuwe revolutionaire cultuur.
Revolutionairen wilden breken met de oude samenleving van adel en privileges. Daarom bedachten ze
nieuwe symbolen en tradities. Symbolen v/d monarchie en de Kerk verdwenen steeds meer uit het
openbare leven. In de plaats kwam bijvoorbeeld Marianne, een vrouwelijk symbool voor vrijheid en de
republiek. Zij werd een alternatief voor oude religieuze symbolen zoals de Maagd Maria.
HET CONFLICT MET DE KERK
De Franse Revolutie nam veel bezittingen v/d Kerk af. Daardoor verloor de Kerk haar belangrijkste
inkomsten.
Religieuze groepen en kloosters kregen grote financiële problemen. Ook kerkelijke instellingen, zoals
scholen, raakten hierdoor in moeilijkheden. Maar het conflict ging niet alleen over geld. De
revolutionaire leiders vonden dat de Kerk onder de controle v/d staat moest staan. Volgens hen was de
Kerk een onderdeel van het openbare bestuur. Ze vonden religie nog wel nuttig, vooral om de
samenleving rustig te houden en arme mensen het bezit van rijke burgers te laten respecteren. Deze
ideeën leidden tot de Burgerlijke Grondwet v/d Clerus. Deze wet moest een Kerk creëren die
gecontroleerd werd door de staat. Ook de macht v/d paus werd sterk beperkt. Bisschoppen hoefden
hem alleen nog maar te informeren over hun benoeming.
Kerkelijke documenten mochten bovendien niet zonder toestemming v/d overheid verspreid worden.
Priesters kregen voortaan een salaris v/d staat en kloosters werden afgeschaft. De paus reageerde
TIJD
1. FRANSE REVOLUTIE
In het jaar 1789 start de Franse revolutie waarbij het Ancien Régime vervangen werd met de ‘moderne
samenleving.’ Deze revolutie is een voorganger voor latere revoluties zoals de Haïtiaanse revolutie in
1791. Deze revolutie heeft voor meerdere keerpunten gezorgd:
Van een standenmaatschappij naar een maatschappij met gelijke burgers
Van soevereine vorsten naar soevereine naties
Van een privilege systeem naar staatsbureaucratieën
SOCIALE EN CULTURELE ACHTERGROND/OORZAKEN
HET ANCIEN RÉGIME: DE DRIE STANDEN
Het ancien régime was een juridisch aristocratisch systeem dat in sommige opzichten ook feodaal was.
Iedereen behoorde aan een stand toe waarvan er 3 waren. De eerst stand is de clerus/kerk die in 1789
bestond uit 100.000 geestelijken, die 5-10% van het land bezatten en dus de grootste grondbezitters
waren. De kerk had een grote invloed op de samenleving en de staat. De inkomsten van kerkelijk bezit
werd oneerlijk verdeeld en kwam vooral in de handen van rijke leden v/d adel met hoge functies
terecht.
De adel, waar ongeveer 400.000 mensen onder vielen, was de tweede stand die 20% van het land in
bezit had. Ze hadden monopolie op belangrijke politieke en religieuze functies. Ze hadden feodale
privileges zoals het innen van belastingen v/d 3de stand en werden ze vrijgesteld van belastingen
betalen. De derde stand, ook de grootste stand, bestond uit de burgerij en boeren. Rijke burgers
(=bourgeoisie) bezatten 20% van het land en wilden meer privileges. De boeren hadden 40% v/d grond
in hun bezit terwijl de loonarbeiders en ambachtslui die ook tot deze stand behoorden geen grondbezit
hadden. De derde stand moest belastingen betalen en hadden geen privileges. Iemand zijn rechten en
prestige ging dus af v/d klasse waartoe hen behoorde.
HET AGRARISCHE SYSTEEM VAN HET ANCIEN RÉGIME
In het agrarische systeem in FR was er geen lijfeigenschap d.w.z. dat de boer de landheer geen arbeid
verschuldigd was. De boeren werkten voor zichzelf, oftewel op hun eigen land of gehuurd land; of
“verkochten” ze zichzelf aan een landheer of een andere boer. Dit systeem had wel nog restanten v/d
feodale privileges:
1. De leenheer had het recht op jagen op de grond v/d onderdanen en het recht op een deel v/d
gewonnen macht v/d onderdanen (= hunting rights)
2. De leenheer had monopolie op de dorpsmolen, de bakker en de wijnmaker waardoor hij een deel van
hun inkomsten kon innen (= banalités)
3. De leenheer beschikte over beperkte bevoegdheden in de rechtspraak en over bepaalde lokale
politiebevoegdheden
4. De leenheer had recht op ‘eminent eigendom’ over grond in zijn heerlijkheid, d.w.z. dat kleinere
grondeigenaars konden land kopen, verkopen, verhuren of erven maar waren nog steeds huur en
overdrachtskosten verschuldigd aan eigenaar van het landgoed.
Toch hadden dorpsbewoners collectieve rechten zoals bv. weidegronden gebruiken van landen zonder
omheining. Dit had veel economische voordelen voor boeren die land bezitten en de bourgeoisie.
Tijdens de 18de eeuw had je een economische verandering die de feodale reactie wordt genoemd. Dit
betekent een stijging van kosten + hogere levensstandaard dat leidt tot landheren die meer inkomsten
eisen door oude rechten weer in gebruik te stellen en boeren kregen ook minder voor hun gewassen.
Dit leidt tot meer druk op landbouwers en een stijging in boosheid op de adel want ze zagen zichzelf als
ware grondbezitters en de landheer als persoon die zonder reden hoger inkomen kreeg. Boeren
organiseren zich in broederschappen of landelijke verenigingen als mobiliserende kracht als gevolg.
POLITIEKE CULTUUR EN PUBLIEKE OPNINIE NA 1770
,Er is discussie over het verband tussen de revolutie en de verlichting. De verlichting droeg wel bij aan
nieuwe vormen van kritiek, publieke opinie en debat wat grotendeels de traditionele autoriteit v/d
koning uitdaagde. De laatste 2 eeuwen van AR waren gevuld met intense politieke controversie, de
monarchie probeerde (onsuccesvol) traditionele Franse parlementen te onderdrukken. De kritische
geest in salons, koffiehuizen en literaire conflicten zorgden voor een publieke sfeer vol politieke
debatten. Je had nieuwe koninklijke pamfletten die de ronde doen over scandalen, seksueel wangedrag
en financiële corruptie. Tegelijkertijd was er een interesse in schandalige rechtszaken, rechters konden
pleidooien publiceren zonder goedkeuring van censoren waarbij ze voor hun argumenten beroep doen
op de publieke opinie.
DE REVOLUTIE EN REORGANISATIE VAN FR
DE FINANCIËLE CRISIS
Een aanzetting v/d revolutie was de financiële instorting van het parlement door oorlogskosten,
onderhoud van legers en staatschulden. De schulden v/d Franse staat waren gegroeid door de steun
aan de Amerikaanse vrijheidsstrijders. Er waren verschillende problemen met de belastingen:
inefficiënt regerings- en economisch systeem, vergeefse pogingen tot fiscale hervormingen, de clerus
en adel die vrij waren van bepaalde belastingen en de oorlogskosten die zorgde voor verhoogde
schulden wat dan weer valt op de boeren, niet op de rijkere bevolking. Calonne stelt de algemene
belasting in voor alle landeigenaars zonder vrijstelling wat zorgt voor een verlichting van indirecte
belastingen + afschaffing v/d binnenlandse tarieven + confiscatie van sommige eigendommen v/d
kerk.
In 1787 werd een bijeenkomst van notabelen georganiseerd. Zij wilden inspraak in het parlement, maar
de koning ging hier niet mee akkoord. Volgens hen kon alleen de Staten-Generaal nieuwe belastingen
goedkeuren. Koning Lodewijk XVI beloofde daarom om tegen mei 1789 de Staten-Generaal bijeen te
roepen.
VAN STATEN-GENERAAL TOT ASSEMBLÉE NATIONALE
De Staten-Generaal (= vergadering van vertegenwoordigers v/d drie standen met de koning) was al
meer dan 150 jaar niet meer samengekomen. Daarom ontstond er meteen discussie over hoe deze
vergadering moest werken. Volgens het oude systeem vergaderden de drie standen apart. Elke stand
had maar één stem. Daardoor konden adel en geestelijkheid samen altijd de derde stand
overstemmen, terwijl de derde stand het grootste deel v/d bevolking vertegenwoordigde. De adel wilde
haar macht behouden en zelfs versterken. Ze steunde wel enkele liberale ideeën, zoals een grondwet
en meer persoonlijke vrijheid + persvrijheid. Maar tegelijk wilden de edelen hun bevoorrechte positie
behouden. De derde stand verzette zich hiertegen. Zij wilden een eerlijker politiek systeem waarin
gewone burgers meer invloed kregen.
Toen koning Lodewijk XVI de Staten-Generaal bijeenriep, hoopten veel mensen op hervormingen. Maar
het Parlement van Parijs hield veranderingen vaak tegen. De derde stand eiste gelijke stemrechten en
wilde samen vergaderen met de andere standen in plaats van apart. In het begin werkte de derde
stand nog samen met de adel tegen de absolute macht v/d koning. Bij de bijeenkomst in Versailles in
mei 1789 weigerde de derde stand de oude manier van vergaderen te accepteren. Als iedereen samen
zou stemmen, zouden zij namelijk de meerderheid hebben. Na weken van ruzie sloten enkele priesters
zich op 13 juni bij de derde stand aan. Kort daarna riep de derde stand zichzelf uit tot de Nationale
Vergadering. De koning reageerde door de vergaderzaal te sluiten. Daarom verhuisde de derde stand
naar een tennisbaan. Daar legden ze op 20 juni 1789 de beroemde Eed v/d Kaatsbaan af. Ze beloofden
niet uit elkaar te gaan voordat FR een grondwet en een nieuw politiek systeem had gekregen waarin
het volk meer macht zou hebben.
In het begin wilden ze vooral hervormingen en nog niet de afschaffing v/d monarchie. Ook enkele leden
v/d adel en de geestelijkheid sloten zich later bij hen aan. De koning koos uiteindelijk de kant v/d adel,
omdat hij bang was zijn macht te verliezen. Maar daardoor verloor hij juist de controle over de situatie.
Hij gaf geen duidelijke oplossingen, toonde weinig leiderschap en slaagde er niet in om een compromis
te vinden. Toen hij eind juni probeerde de Staten-Generaal met soldaten uiteen te drijven, was het
conflict al te groot geworden om nog op te lossen. Veel mensen uit de derde stand kregen hierdoor het
,gevoel dat de koning vooral luisterde naar de adel en dat de hogere standen eigenlijk de echte macht
hadden.
DE LAGERE KLASSEN IN ACTIE
Lagere klassen komen openlijk in opstand tegen de economische en sociale omstandigheden. Je had de
economische depressie die naar boven kwam waarbij de groei handel stopt, je een daling hebt v/d
lonen en een stijging in werkloosheid. Ook waren er veel misoogsten (bv in 1788) en een stijging van
prijzen (bv brood) wat leidt onrustige massa’s. De crisissen veroorzaakten wijdverspreide angst en
werden ook politiek van aard. Overal begon de 3e stand zich te bewapenen uit zelfverdediging. Deze
Massa’s bestormden Parijs op zoek naar wapens en op 14 juli wordt de Bastille (= werd gebruikt als een
plaats van detentie voor personen met genoeg invloed om te ontsnappen aan de gewone
gevangenissen) bestormd. Dit was vooral een symbolische daad. De koning accepteerde de nieuwe
situatie, hij erkende het burgercomité in Parijs + de Assemblée Nationale. Ook werd er een Nationale
Garde opgericht onder leiding v/d Lafayette. De ‘Franse Driekleur’ (= Insigne samengesteld uit rood &
blauw (kleuren Parijs) + wit (kleur huis van Bourbon) werd het embleem van FR. In rurale gebieden
wordt de situatie erger, vage onzekerheid wordt algemene angst wat leidt tot de ‘La Grande Peur de
1789’. Kastelen van lokale adel en feodale archieven werden vernietigd. De burgers wisten perfect wat
ze deden, ze wilden landsheerlijke regime met geweld neerhalen waardoor veel adel vluchtte naar het
buitenland.
DE OORSPRONKELIJKE HERVORMINGEN V/D ASSEMBLÉE NATIONALE
De rust in FR kon pas terugkeren als de boeren minder belastingen en verplichtingen kregen. Maar de
adel en rijke burgers wilden dat eigenlijk niet, omdat ze dan hun land en speciale rechten zouden
verliezen. Daarom gebeurde er iets opvallends in de nacht van 4 augustus 1789. Een kleine groep
afgevaardigden in de Assemblée Nationale (=het lagerhuis van het tweekamerparlement v/d Franse
Republiek) besloot vrijwillig afstand te doen van hun privileges, zoals hun jachtrechten en feodale
rechten. Daardoor werd het feodale systeem afgeschaft. Dat systeem draaide vooral om de macht en
inkomsten van grootgrondbezitters. Er kwam wel een compromis: de boeren moesten de voormalige
eigenaars eigenlijk betalen als vergoeding voor het verlies van hun rechten. In de praktijk gebeurde dat
bijna nooit. Voor Franse boeren was dit een vrij gunstige situatie.
Deze hervormingen zorgden voor meer juridische gelijkheid. Dat werd verder vastgelegd in de
‘Déclaration des droits de l’homme et du citoyen’. Deze verklaring bestond uit 17 artikelen met de
basisideeën v/d nieuwe Franse staat.
Daarin stond o.a. dat iedereen gelijk is voor de wet, dat de wet de wil van het volk moet
vertegenwoordigen en dat mensen vrijheid van mening en godsdienst hebben. De tekst werd overal
openbaar voorgelezen, opgehangen en later vertaald in andere talen. Zo verspreidden de ideeën zich
door heel Europa. Met “l’homme” bedoelde men eigenlijk alle mensen, maar in de praktijk kregen
vooral mannen politieke en juridische rechten. Olympe de Gouges en veel andere mensen vonden dat
vrouwen dezelfde rechten moesten krijgen als mannen. Veel revolutionaire leiders vonden echter dat
politiek, wetten maken en oorlog voeren vooral mannendingen waren. Daardoor verloren vrouwen zelfs
een deel van hun vroegere invloed in rijke en adellijke kringen. Er kwamen ook beperkingen op
politieke activiteiten van vrouwen.
In september 1789 begon de Nationale Assemblee plannen te maken voor een nieuwe regering. Er
ontstond discussie tussen twee groepen: één groep wilde een sterke koning met vetorecht en een
parlement met twee kamers en de andere groep, de patriotten, wilde een zwakkere koning met alleen
een tijdelijk veto en één parlementaire kamer. De patriotten wonnen uiteindelijk het debat. Veel
conservatieven verlieten daarna de Assemblee omdat ze vonden dat de revolutie te ver ging.
Ondertussen begonnen radicalere revolutionairen zich te organiseren in politieke clubs. De bekendste
waren de Jacobijnen (=gemeenschap van vrienden v/d grondwet). In hun bijeenkomsten bespraken ze
politieke ideeën en plannen voor verdere hervormingen.
CONSTITUTIONELE VERANDERINGEN
Assemblée Nationale wordt Assemblée Constituante dat van Okt 1789 tot sept 1791 het land regeert,
geschreven grondwet verder ontwerpt en de instellingen van het AR vernietigt. Het verwierp de meeste
politieke en juridische instellingen die Franse zaken eeuwenlang bestuurd hadden. Het AC verdeelt FR
, in 83 “gelijke” departementen om het rijk te decentraliseren als reactie tegen bureaucratie van het AR.
Met de constitutie van 1791 werd de soevereine macht v/d natie uitgeoefend door eenkamer verkozen
vergadering (= Assemblée Legislative). De Koning had slechts vetorecht en kon hiermee de wetgeving
uitstellen. De uitvoerende macht (koning + ministers) werd zwak gehouden in reactie tegen
ministeriële despotisme + wantrouwen in Lodewijk XVI.
In Juni 1791 probeert Lodewijk XVI te ontsnappen, hij wordt gearresteerd en teruggebracht naar Parijs
+ gedwongen om status als constitutioneel monarch te accepteren. De vijandige houding van Lodewijk
XVI heeft FR sterk gedesoriënteerd, het maakte vorming van sterke uitvoerende macht onmogelijk en
zorgde dat het land geregeerd werd door een debatterende gemeenschap. Echter was niet alle
staatsmachinerie democratisch. Omdat meeste mensen ongeletterd waren, werd er gedacht dat ze
geen eigen politieke mening konden vormen en gewoon de mening van hun wergevers volgen. De
Assemblée Legislative maakte daarom een onderscheid tussen actieve en passieve burgers. Beiden
hadden dezelfde burgerrechten, maar alleen actieve burgers hadden recht om te stemmen. Actieve
burgers kozen “kiezers”, je had 1 kiezer voor elke 100 actieve burgers. Kiezers kwamen bijeen in de
hoofdstad van hun departement en kozen afgevaardigden voor het wetgevende orgaan. Mannen die
iets hogere belasting konden betalen kwalificeerden als kiezers.
ECONOMISCHE EN CULTURELE VERANDERINGEN
Het economische beleid v/d Franse Revolutie hielp vooral de middenklasse en minder de arme
bevolking. Om geld te krijgen nam de staat bezittingen v/d Kerk af, zoals land en gebouwen. Daarvoor
werden assignaten ingevoerd. Eerst waren dit een soort obligaties, maar later werden ze gebruikt als
papiergeld. Met deze assignaten konden mensen grond kopen die vroeger v/d Kerk was geweest. Veel
boeren en arme mensen waren teleurgesteld door dit systeem. De grond werd namelijk vaak verkocht
op verre veilingen en in grote stukken. Daardoor konden kleine boeren bijna nooit zelf land kopen. De
revolutionaire leiders geloofden sterk in economische vrijheid en wilden zo weinig mogelijk
overheidsbemoeienis met de economie. Ze waren tegen monopolies en tegen bedrijven met speciale
privileges. Hun ideeën waren beïnvloed door Adam Smith. Volgens deze ideeën moesten prijzen en
lonen bepaald worden door vrije afspraken tussen mensen, zonder inmenging v/d overheid. Daarom
werden de gilden afgeschaft via de wet Le Chapelier.
Gilden waren verenigingen van ambachtslieden die controle hadden over prijzen en werk.
Revolutionairen vonden dat ze innovatie tegenhielden. In FR waren veel functies binnen gilden erfelijk.
Daarom richtten gewone arbeiders eigen verenigingen op, de zogenaamde compagnonnages. De Wet
Le Chapelier verbood echter alle economische verenigingen van arbeiders én werkgevers. Vanaf dan
mocht iedereen vrij een beroep kiezen, maar arbeiders moesten individueel onderhandelen over hun
loon. Naast economische veranderingen ontstond ook een nieuwe revolutionaire cultuur.
Revolutionairen wilden breken met de oude samenleving van adel en privileges. Daarom bedachten ze
nieuwe symbolen en tradities. Symbolen v/d monarchie en de Kerk verdwenen steeds meer uit het
openbare leven. In de plaats kwam bijvoorbeeld Marianne, een vrouwelijk symbool voor vrijheid en de
republiek. Zij werd een alternatief voor oude religieuze symbolen zoals de Maagd Maria.
HET CONFLICT MET DE KERK
De Franse Revolutie nam veel bezittingen v/d Kerk af. Daardoor verloor de Kerk haar belangrijkste
inkomsten.
Religieuze groepen en kloosters kregen grote financiële problemen. Ook kerkelijke instellingen, zoals
scholen, raakten hierdoor in moeilijkheden. Maar het conflict ging niet alleen over geld. De
revolutionaire leiders vonden dat de Kerk onder de controle v/d staat moest staan. Volgens hen was de
Kerk een onderdeel van het openbare bestuur. Ze vonden religie nog wel nuttig, vooral om de
samenleving rustig te houden en arme mensen het bezit van rijke burgers te laten respecteren. Deze
ideeën leidden tot de Burgerlijke Grondwet v/d Clerus. Deze wet moest een Kerk creëren die
gecontroleerd werd door de staat. Ook de macht v/d paus werd sterk beperkt. Bisschoppen hoefden
hem alleen nog maar te informeren over hun benoeming.
Kerkelijke documenten mochten bovendien niet zonder toestemming v/d overheid verspreid worden.
Priesters kregen voortaan een salaris v/d staat en kloosters werden afgeschaft. De paus reageerde