2.1 De geologische schaal
de geschiedenis van de aarde wordt samengevat in de geologische tijdschaal deze bestaat
uit 4 grote tijdperken, deze zijn weer onderverdeeld in meerdere perioden.
carboon
350 miljoen jaar geleden, vlak bij de evenaar, tropisch laaglandmoeras en hier werden dikke
pakketten veen gevormd wat is omgevormd tot steenkool. bij dit proces ontstond ook
aardgas.
het Perm
299-252 miljoen jaar geleden, alle continenten zaten aan elkaar vast = pangea, dit zorgde
voor grote temperatuurverschillen tussen zomer en winter. er werden veel dikke pakketten
zout afgezet omdat de zee vaak overstroomde. bijna alles stervde uit door grote
vulkaanuitbarstingen.
Mesozoicum
de tijdperk na het perm hierin kwamen de dinosaurussen. met drie periodes, Trias, Jura en
krijt. aan het einde van de trias ging het pangea in meerdere kleinere continenten ontstaan
krijt
145-66 miljoen jaar geleden, temperaturen veel hoger dan nu door een grote asteroide
ontstond mexico.
Kenozoicum
(het nieuwe leven) ontstonden de dieren en planten die we nog steeds hebben, in de laatste
periode (kwartair) is de mens ontstaan
De kennis hierover komt door de aardwetenschappers, zij houden zich bezig met
paleogeografie: beweging van de aardplaten, ontstaan gebergte en vulkanen
geomorfologie: alle processen en verschijnselen die de aarde vormgeven
nu wordt het actualiteitsprincipe gebruikt om te kijken of de dingen die nu gebeuren
hetzelfde gebeurde zoals vroeger.
, 2.2 platentektoniek
opbouw van de aarde
Dichtheid:lagen met allemaal een andere dichtheid, de aardkern heeft de hoogste dichtheid
en bestaat vooral uit ijzer en de buitenste laag heeft de laagste dichtheid.
vervormbaarheid: de buitenste laag en de aardkorst bestaat uit vast gesteente. deze vormen
samen de lithosfeer de middelste platen vormen samen de asthenosfeer hier is het heel
warm maar doordat de druk erg hoog is is het gesteente niet vloeibaar maar een beetje
stroperig, waardoor het heel langzaam kan bewegen.
De aardkern bestaat uit 2 delen, de binnen- en buitenkern (vloeibaar) maar door het verschil
in druk kan de binnenkern vast zijn.
divergente plaatgrenzen
platen bewegen UIT elkaar. zo ontstaat er ruimte tussen de platen en de druk neemt af
waardoor er magma naar buiten stroomt. hier onstaat een nieuwe oceanische korst met een
relatief lage dichtheid waardoor die hoger op de mantel komt te liggen.
mid oceanische ruggen; lange onderzeese bergketens.
dit kan ook op het land gebeuren, het magma wat omhoog komt kan de continentale korst
breken waardoor delen van de korst uit elkaar kunnen bewegen.
convergente plaatgrenzen
platen bewegen naar elkaar toe. de oceanische korst heeft een hoger dichtheid dan de
continentale korst.
2 continentale platen: duwen elkaar omhoog (plooiingsgebergte)
2 oceanische platen: subductie, de oude plaat gaat onder de jongere plaat
oceanische en continentale: subductie, oceanische onder continentale
bij subductie ontstaat er een trog doordat de plaat die eronder gaat een stukje meeneemt.
deze vormt de grens tussen de 2 platen
- als platen langs elkaar bewegen zijn het transforme plaatgrenzen deze komen veel
voor bij mid oceanische ruggen, doordat veel stukken gekarteld zijn en ze dus niet uit
elkaar gaan, maar langs elkaar
slab pull
trekkracht die ontstaat bij de subductie van oceanische platen, mantelpluim
ridge push
de platen die hoger liggen bij de ruggen waardoor ze aan beide zijden van de ruggen
afglijden, deze speelt wel een kleinere rol bij platentektoniek (ong 10x zo klein)